[1] Luister, Israël! U gaat heden de Jordaan oversteken om het land binnen te gaan en in bezit te nemen van volken die groter en machtiger zijn dan u, met grote en hemelhoog versterkte steden;
[2] een groot en lang volk, de Enakieten, die u zelf kent en over wie u zelf gehoord hebt: Wie kan standhouden tegenover de Enakieten?
[3] Daarom moet u heden weten dat het deHEERE , uw God, is Die voor u uit de Jordaan overtrekt, een verterend vuur. Hij zal hen wegvagen en Hij zal hen aan u onderwerpen. U zult hen uit hun bezit verdrijven en hen al snel ombrengen, zoals deHEERE tot u gesproken heeft.
[4] Wanneer deHEERE , uw God, hen van voor uw ogen verjaagd heeft, zeg dan niet in uw hart: Vanwege míjn gerechtigheid heeft deHEERE mij in dit land gebracht om het in bezit te nemen. Want het is vanwege de goddeloosheid van deze volken dat deHEERE hen van voor uw ogen uit hun bezit verdrijft.
[5] Niet vanwege uw gerechtigheid of vanwege de oprechtheid van uw hart komt u hun land in om het in bezit te nemen, maar vanwege de goddeloosheid van deze volken verdrijft deHEERE , uw God, hen van voor uw ogen uit hun bezit, en om het woord gestand te doen dat deHEERE , uw God, uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.
[6] Daarom moet u weten dat het niet vanwege uw gerechtigheid is dat deHEERE , uw God, u dit goede land geeft om het in bezit te nemen, want u bent een halsstarrig volk.
[7] Houd in gedachten en vergeet niet dat u deHEERE , uw God, zeer toornig hebt gemaakt in de woestijn: vanaf de dag dat u uit het land Egypte vertrokken bent, totdat u op deze plaats kwam, bent u ongehoorzaam geweest aan deHEERE .
[8] Bij de Horeb hebt u deHEERE immers zeer toornig gemaakt; deHEERE werd zo toornig op u dat Hij u wilde wegvagen.
[9] Toen ik de berg opgeklommen was om de stenen tafelen, de tafelen van het verbond dat deHEERE met u gesloten had, te ontvangen, bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg. Ik at geen brood en dronk geen water.
[10] En deHEERE gaf mij de twee stenen tafelen, beschreven door de vinger van God; daarop stonden alle woorden die deHEERE met u gesproken had op de berg, vanuit het midden van het vuur, op de dag dat u daar bijeenkwam.
[11] Het gebeurde na verloop van veertig dagen en veertig nachten, toen deHEERE mij de twee stenen tafelen, de tafelen van het verbond, gaf,
[12] dat deHEERE tegen mij zei: Sta op, daal snel vanhier af, want uw volk, dat u uit Egypte geleid hebt, handelt verderfelijk. Zij zijn al snel afgeweken van de weg die Ik hun geboden had: zij hebben voor zichzelf een gegoten beeld gemaakt.
[13] Verder sprak deHEERE tot mij: Ik heb dit volk gezien en zie, het is een halsstarrig volk.
[14] Laat Mij begaan, dan zal Ik hen wegvagen en hun naam van onder de hemel uitwissen. Dan zal Ik u tot een volk maken dat nog machtiger en talrijker is dan dit.
[15] Toen keerde ik mij om en daalde van de berg af – de berg brandde van vuur en de twee tafelen van het verbond waren in mijn beide handen.
[16] Ik keek toe en zie: u had tegen deHEERE , uw God, gezondigd; u had voor uzelf een gegoten kalf gemaakt. U was al snel afgeweken van de weg die deHEERE u geboden had!
[17] Toen pakte ik de twee tafelen, wierp ze uit mijn beide handen weg en brak ze voor uw ogen in stukken.
[18] En ik wierp mij neer voor het aangezicht van deHEERE , net als de eerste keer, veertig dagen en veertig nachten. Ik at geen brood en dronk geen water, vanwege al de zonde die u begaan had, door te doen wat slecht is in de ogen van deHEERE om Hem tot toorn te verwekken.
[19] Want ik was bevreesd vanwege Zijn toorn en grimmigheid: deHEERE was zo toornig op u dat Hij u wilde wegvagen. DeHEERE verhoorde mij echter ook die keer.
[20] Ook op Aäron was deHEERE zo toornig dat Hij hem wilde wegvagen; maar ik bad in die tijd ook voor Aäron.
[21] Maar ik nam uw zonde, het kalf dat u gemaakt had, en verbrandde het met vuur. Ik verbrijzelde het en vermaalde het grondig, totdat het tot stof verpulverd was. En het stof ervan gooide ik in de beek die van de berg afloopt.
[22] Ook bij Tabera, Massa en Kibroth-Taäva maakte u deHEERE zeer toornig.
[23] En toen deHEERE u vanuit Kades-Barnea op weg zond en zei: Trek op en neem het land dat Ik u gegeven heb in bezit, was u het bevel van deHEERE , uw God, ongehoorzaam: u geloofde Hem niet en gehoorzaamde Zijn stem niet.
[24] U bent ongehoorzaam geweest aan deHEERE vanaf de dag dat ik u ken.
[25] Ik wierp mij neer voor het aangezicht van deHEERE , die veertig dagen en veertig nachten dat ik mij neergeworpen had, omdat deHEERE gezegd had dat Hij u zou wegvagen.
[26] En ik bad tot deHEERE en zei: HeereHEERE , richt Uw volk en Uw eigendom toch niet te gronde, dat U door Uw grootheid verlost hebt, dat U met sterke hand uit Egypte hebt geleid.
[27] Denk aan Uw dienaren, Abraham, Izak en Jakob; schenk geen aandacht aan de hardleersheid van dit volk, aan zijn goddeloosheid, en aan zijn zonde;
[28] anders zal het land waar U ons uit geleid hebt, zeggen: Omdat deHEERE hen niet kon brengen in het land waarover Hij tot hen gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij hen uitgeleid, om hen te doden in de woestijn.
[29] Zij zijn toch Uw volk en Uw eigendom, dat U met Uw grote kracht en met Uw uitgestrekte arm hebt uitgeleid!