Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 5:28

[1] Dit zijn de woorden van het verbond dat deHEERE Mozes geboden heeft met de Israëlieten te sluiten, in het land Moab, naast het verbond dat Hij met hen gesloten had bij de Horeb.

[2] Mozes riep heel Israël bijeen en zei tegen hen: U hebt alles gezien wat deHEERE in het land Egypte voor uw ogen gedaan heeft, met de farao, met al zijn dienaren en met heel zijn land:

[3] de grote beproevingen die uw ogen gezien hebben, die grote tekenen en wonderen.

[4] Maar deHEERE heeft u geen hart gegeven om dat te erkennen, of ogen om te zien, of oren om te horen, tot op deze dag.

[5] Ik heb u veertig jaar door de woestijn laten gaan; uw kleren zijn bij u niet versleten, en uw schoenen zijn niet versleten aan uw voeten;

[6] brood hebt u niet gegeten, en wijn en sterkedrank hebt u niet gedronken, opdat u zou weten dat Ik deHEERE , uw God, ben.

[7] Toen u bij deze plaats kwam, trokken Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Basan, uit ons tegemoet om tegen ons te strijden, maar wij versloegen hen.

[8] Wij hebben hun land ingenomen en dat als erfelijk bezit gegeven aan de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van de Manassieten.

[9] Houd daarom de woorden van dit verbond, en doe ze, opdat u verstandig zult handelen in alles wat u doet.

[10] U staat heden allen voor het aangezicht van deHEERE , uw God: uw stamhoofden, uw oudsten en uw beambten, alle mannen van Israël,

[11] uw kleine kinderen, uw vrouwen, en uw vreemdeling die in het midden van uw tentenkamp is, van uw houthakker af tot uw waterputter toe,

[12] om het verbond van deHEERE , uw God, en Zijn vervloeking, binnen te gaan, dat deHEERE , uw God, heden met u sluit,

[13] opdat Hij u heden voor Zichzelf tot een volk bevestigt, en Hij voor u tot een God is, zoals Hij tot u gesproken heeft en zoals Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.

[14] En niet alleen met u sluit ik dit verbond en deze vervloeking,

[15] maar met hem die hier heden bij ons staat voor het aangezicht van deHEERE , onze God, en met hem die hier heden niet bij ons is.

[16] Want u weet zelf hoe wij in het land Egypte gewoond hebben, en hoe wij midden door het gebied van de volken kwamen waar u doorheen trok.

[17] U hebt hun afschuwelijke afgoden en stinkgoden gezien die zij hadden: hout en steen, zilver en goud.

[18] Laat onder u geen man of vrouw, gezin of stam zijn die zijn hart heden van deHEERE , onze God, afkeert, om de goden van deze volken te gaan dienen. Laat onder u geen wortel zijn die gal en alsem voortbrengt.

[19] En het zal gebeuren, als hij bij het horen van de woorden van deze vervloeking zichzelf in zijn hart zegent door te zeggen: Ik zal vrede hebben, ook wanneer ik mijn verharde hart volg; de overvloed zal de dorst wegnemen,

[20] dat deHEERE hem niet zal willen vergeven; dan zal de toorn van deHEERE en Zijn na-ijver tegen die man ontbranden, en alle vervloekingen die in dit boek geschreven zijn, zullen op hem rusten. DeHEERE zal zijn naam van onder de hemel uitwissen.

[21] DeHEERE zal hem voor dit kwaad afzonderen van al de stammen van Israël, overeenkomstig alle vervloekingen van het verbond dat beschreven is in het boek met deze wet.

[22] Dan zal de volgende generatie, uw kinderen, die na u opstaan, en de buitenlander die uit een ver land komt – als zij de plagen van dit land en zijn ziekten, waarmee deHEERE het getroffen heeft, zien –

[23] zeggen dat heel zijn land zwavel en zout, een brandplek, is; dat het niet wordt bezaaid, er niets op groeit en er geen enkel gewas opkomt, zoals bij de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm, die deHEERE omgekeerd heeft in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid –

[24] dan zullen alle volken zeggen: Waarom heeft deHEERE dit gedaan met dit land? Wat betekent deze grote ontbranding van Zijn toorn?

[25] Dan zal men zeggen: Omdat zij het verbond van deHEERE , de God van hun vaderen, dat Hij met hen gesloten had toen Hij hen uit het land Egypte leidde, verlaten hebben.

[26] Zij zijn andere goden gaan dienen en hebben zich daarvoor neergebogen, goden die zij niet kenden en die Hij hun niet toebedeeld had.

[27] Daarom is de toorn van deHEERE ontbrand tegen dit land en brengt Hij daarover al deze vervloekingen die in dit boek beschreven zijn.

[28] En deHEERE heeft hen uit hun land weggerukt, in toorn, in grimmigheid en in grote verbolgenheid, en Hij heeft hen weggeworpen in een ander land, zoals het op deze dag is.

[29] De verborgen dingen zijn voor deHEERE , onze God, maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen, tot in eeuwigheid, om al de woorden van deze wet te doen.

Deuteronomium — Chapters