Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:36

[1] Iemand die door kneuzing aan het geslachtsdeel gewond is of van wie het geslachtsdeel is afgesneden, mag niet in de gemeente van deHEERE komen.

[2] Een bastaard mag niet in de gemeente van deHEERE komen; zelfs zijn nakomelingen van de tiende generatie mogen niet in de gemeente van deHEERE komen.

[3] Een Ammoniet of Moabiet mag niet in de gemeente van deHEERE komen; zelfs hun nakomelingen van de tiende generatie mogen tot in eeuwigheid niet in de gemeente van deHEERE komen,

[4] vanwege het feit dat zij u onderweg niet met brood en water tegemoetgekomen zijn toen u uit Egypte wegtrok; en omdat hij Bileam, de zoon van Beor, uit Pethor in Mesopotamië, tegen u ingehuurd heeft om u te vervloeken.

[5] DeHEERE , uw God, echter wilde niet naar Bileam luisteren, maar deHEERE , uw God, heeft de vloek voor u in een zegen veranderd, omdat deHEERE , uw God, u liefhad.

[6] U mag de vrede en het goede voor hen niet zoeken, al uw dagen, tot in eeuwigheid.

[7] U mag van de Edomiet geen afschuw hebben, want hij is uw broeder. U mag van de Egyptenaar geen afschuw hebben, want u bent een vreemdeling geweest in zijn land.

[8] Wat de kinderen betreft die bij hen geboren worden: de derde generatie mag in de gemeente van deHEERE komen.

[9] Wanneer het leger uittrekt tegen uw vijanden, moet u op uw hoede zijn voor elke kwalijke zaak.

[10] Wanneer er onder u iemand is die niet rein is door iets wat 's nachts per ongeluk is gebeurd, dan moet hij buiten het kamp gaan. Hij mag niet binnen het kamp komen.

[11] En tegen het vallen van de avond moet het zó zijn dat hij zich met water wast; en als de zon ondergegaan is, mag hij weer binnen het kamp komen.

[12] U moet ook een plaats hebben buiten het kamp. Daar moet u naartoe gaan, buiten het kamp.

[13] U moet bij uw uitrusting ook een schepje hebben, en het moet zó zijn dat u daarmee een gat graaft wanneer u buiten het kamp gaat zitten. Daarna moet u zich omkeren en uw uitwerpselen bedekken.

[14] Want deHEERE , uw God, wandelt binnen uw kamp om u te redden en uw vijanden aan u over te geven. Daarom moet uw kamp heilig zijn, opdat Hij niet iets schandelijks bij u ziet en Zich van u afkeert.

[15] U mag een slaaf die bij zijn meester wegloopt en bij u redding zoekt, niet aan zijn meester uitleveren.

[16] Hij mag bij u blijven, in uw midden, in de plaats die hij uitkiest, binnen een van uw poorten, waar hij het goed heeft. U mag hem niet uitbuiten.

[17] Er mag onder de dochters van Israël geen hoer zijn; en er mag geen schandknaap zijn onder de zonen van Israël.

[18] U mag geen hoerenloon of hondengeld in het huis van deHEERE , uw God, brengen ter inlossing van welke gelofte dan ook, want die zijn beide een gruwel voor deHEERE , uw God.

[19] U mag van uw broeder geen rente vragen: rente over geld, rente over voedsel of rente over enig ding waarover men rente betaalt.

[20] Van de buitenlander mag u rente vragen, maar van uw broeder mag u geen rente vragen, opdat deHEERE , uw God, u zegent in alles wat u ter hand neemt in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen.

[21] Wanneer u deHEERE , uw God, een gelofte gedaan hebt, mag u niet aarzelen die na te komen, want deHEERE , uw God, zal dat zeker van u eisen, en dan zou er zonde in u zijn.

[22] Maar als u ervan afziet een gelofte te doen, is er geen zonde in u.

[23] Wat er over uw lippen komt, moet u houden en doen, net als wanneer u deHEERE , uw God, een vrijwillige gave beloofd hebt, iets wat u met uw eigen mond gesproken hebt.

[24] Wanneer u in de wijngaard van uw naaste komt, mag u druiven eten naar hartenlust, tot verzadiging toe; maar u mag niets in uw tas doen.

[25] Wanneer u in het staande koren van uw naaste komt, mag u met uw hand aren plukken; maar u mag niet de sikkel slaan in het staande koren van uw naaste.

Deuteronomium — Chapters