[1] En Mozes gebood het volk samen met de oudsten van Israël: Neem al de geboden die ik u heden gebied, in acht.
[2] En op de dag dat u de Jordaan oversteekt naar het land dat deHEERE , uw God, u geeft, moet het zo zijn dat u voor uzelf grote stenen opricht en die met kalk bestrijkt.
[3] U moet alle woorden van deze wet daarop schrijven als u overgestoken bent, opdat u komt in het land dat deHEERE , uw God, u geeft, een land dat overvloeit van melk en honing, zoals deHEERE , de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft.
[4] En als u de Jordaan bent overgestoken, moet het zó zijn dat u deze stenen, waarover ik u heden gebied, opricht op de berg Ebal, en dat u ze met kalk bestrijkt.
[5] U moet daar een altaar bouwen voor deHEERE , uw God, een altaar van stenen die u niet met een ijzeren voorwerp mag bewerken.
[6] Van hele stenen moet u het altaar van deHEERE , uw God, bouwen, en daarop brandoffers brengen voor deHEERE , uw God.
[7] Ook moet u dankoffers offeren en daar eten en u verblijden voor het aangezicht van deHEERE , uw God.
[8] U moet op de stenen alle woorden van deze wet schrijven, duidelijk en goed.
[9] Verder sprak Mozes, samen met de Levitische priesters, tot heel Israël: Zwijg en luister, Israël! Op deze dag bent u tot een volk geworden voor deHEERE , uw God.
[10] Daarom moet u de stem van deHEERE , uw God, gehoorzaam zijn, en Zijn geboden en Zijn verordeningen die ik u heden gebied, doen.
[11] En Mozes gebood het volk op die dag:
[12] Wanneer u de Jordaan overgestoken bent, moeten de volgende stammen op de berg Gerizim gaan staan om het volk te zegenen: Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Jozef en Benjamin.
[13] En de volgende stammen moeten op de berg Ebal gaan staan voor de vervloeking: Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali.
[14] De Levieten moeten het woord nemen en tegen alle mannen van Israël zeggen met luide stem:
[15] Vervloekt is de man die een gesneden of gegoten beeld maakt, een gruwel voor deHEERE , het werk van de handen van een vakman, en dat op een verborgen plaats neerzet! En heel het volk moet antwoorden en zeggen: Amen.
[16] Vervloekt is wie zijn vader of zijn moeder veracht! En heel het volk moet zeggen: Amen.
[17] Vervloekt is wie de grenssteen van zijn naaste verlegt! En heel het volk moet zeggen: Amen.
[18] Vervloekt is wie een blinde laat verdwalen op de weg! En heel het volk moet zeggen: Amen.
[19] Vervloekt is wie het recht van de vreemdeling, de wees en de weduwe buigt! En heel het volk moet zeggen: Amen.
[20] Vervloekt is wie met de vrouw van zijn vader slaapt, want hij heeft het kleed van zijn vader opengeslagen! En heel het volk moet zeggen: Amen.
[21] Vervloekt is wie gemeenschap heeft met welk dier dan ook! En heel het volk moet zeggen: Amen.
[22] Vervloekt is wie slaapt met zijn zuster, de dochter van zijn vader, of de dochter van zijn moeder! En heel het volk moet zeggen: Amen.
[23] Vervloekt is wie met zijn schoonmoeder slaapt! En heel het volk moet zeggen: Amen.
[24] Vervloekt is wie zijn naaste in het geheim doodslaat! En heel het volk moet zeggen: Amen.
[25] Vervloekt is wie een geschenk aanneemt om iemand om het leven te brengen, onschuldig bloed te vergieten! En heel het volk moet zeggen: Amen.
[26] Vervloekt is wie de woorden van deze wet niet uitvoert door ze te houden! En heel het volk moet zeggen: Amen.