[1] U bent kinderen van deHEERE , uw God. U mag uw lichaam vanwege een dode niet kerven of een kale plek maken tussen uw ogen.
[2] Want u bent een heilig volk voor deHEERE , uw God. DeHEERE heeft ú uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is.
[3] U mag niets eten wat een gruwel is.
[4] Dit zijn de dieren die u eten mag: het rund, het schaap, de geit,
[5] het hert, de gazelle, de reebok, de steenbok, de spiesbok, de antilope en de gems.
[6] Alle dieren die gespleten hoeven hebben, waarvan de hoef in tweeën gespleten is, en die bovendien bij de dieren horen die herkauwen, mag u eten.
[7] Maar de volgende, die alleen herkauwen, of die alleen gespleten hoeven hebben, mag u niet eten: de kameel, de haas en de klipdas. Zij herkauwen immers wel, maar hebben geen gespleten hoeven; zij zijn voor u onrein.
[8] Zo ook het varken, want dat heeft wel gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; het is voor u onrein. Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers mag u niet aanraken.
[9] Dit mag u eten van alles wat in het water leeft: alles wat vinnen en schubben heeft, mag u eten.
[10] Maar alles wat geen vinnen en schubben heeft, mag u niet eten; het is voor u onrein.
[11] Alle reine vogels mag u eten.
[12] Maar dit zijn de vogels waarvan u niet mag eten: de arend, de lammergier, de monniksgier,
[13] de buizerd, de kiekendief, en elke soort wouw,
[14] elke soort raaf,
[15] de struisvogel, de velduil, de meeuw, elke soort valk,
[16] de steenuil, de ransuil, de kerkuil,
[17] de kraai, de aasgier, de visarend,
[18] de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis.
[19] Ook alle gevleugelde insecten zijn voor u onrein; ze mogen niet gegeten worden.
[20] Alle reine gevleugelde dieren mag u eten.
[21] U mag geen enkel kadaver eten. Aan de vreemdeling die binnen uw poorten is, mag u het geven om het te eten, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een heilig volk voor deHEERE , uw God. U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.
[22] Van heel de opbrengst van uw zaad, wat het veld jaar op jaar voortbrengt, moet u getrouw het tiende deel geven.
[23] Voor het aangezicht van deHEERE , uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen, moet u de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee eten, om deHEERE , uw God, te leren vrezen, alle dagen.
[24] Als de weg voor u te lang is, zodat u dat alles niet kunt meenemen, omdat de plaats die deHEERE , uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, te ver bij u vandaan is, dan moet u, wanneer deHEERE , uw God, u gezegend heeft,
[25] het te gelde maken, het geld in een buidel meenemen en naar de plaats gaan die deHEERE , uw God, zal uitkiezen.
[26] Daar moet u dat geld besteden aan alles wat uw ziel verlangt: runderen en kleinvee, wijn en sterkedrank, ja, alles wat uw ziel maar wenst. Dan kunt u daar eten voor het aangezicht van deHEERE , uw God, en u verblijden, u en uw gezin.
[27] Daarbij mag u de Leviet die binnen uw poorten is, niet in de steek laten. Hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit samen met u.
[28] Om de drie jaar moet u alle tienden van uw opbrengst van dat jaar brengen en opslaan binnen uw poorten.
[29] Dan kan de Leviet komen – hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit samen met u – en de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn, en kunnen zij eten en verzadigd worden; opdat deHEERE , uw God, u zegent in al het werk dat u doet.