[1] In die tijd zei deHEERE tegen mij: Houw twee stenen tafelen voor u uit, net als de eerste, en klim de berg op, naar Mij toe; ook moet u een kist van hout voor u maken.
[2] En Ik zal op die tafelen de woorden schrijven die op de eerste tafelen stonden, die u verbrijzeld hebt; en dan moet u ze in de kist leggen.
[3] Daarop maakte ik een kist van acaciahout en hieuw twee stenen tafelen uit, net als de eerste; en ik klom de berg op met de twee tafelen in mijn hand.
[4] Toen schreef Hij op de tafelen, overeenkomstig de eerste tekst, de Tien Woorden die deHEERE tot u gesproken had op de berg, vanuit het midden van het vuur, op de dag dat u daar bijeenkwam; en deHEERE gaf ze aan mij.
[5] En ik keerde mij om, daalde de berg af en legde de tafelen in de kist die ik gemaakt had. Daar zijn ze nog steeds, zoals deHEERE mij geboden had.
[6] (Toen braken de Israëlieten op uit Beëroth-Bene-Jaäkan naar Mosera. Daar stierf Aäron en daar werd hij begraven; en zijn zoon Eleazar diende als priester in zijn plaats.
[7] Daarvandaan braken zij op naar Gudgod en van Gudgod naar Jotbath, een land vol beken.)
[8] In die tijd zonderde deHEERE de stam Levi af om de ark van het verbond van deHEERE te dragen, om voor het aangezicht van deHEERE te staan, om Hem te dienen en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
[9] Daarom heeft Levi geen aandeel of erfelijk bezit met zijn broeders; deHEERE Zelf is zijn erfelijk bezit, zoals deHEERE , uw God, tot hem gesproken heeft.
[10] Ík stond dus op de berg, net als de vorige dagen: veertig dagen en veertig nachten. DeHEERE verhoorde mij ook deze keer; deHEERE wilde u niet te gronde richten.
[11] En deHEERE zei tegen mij: Sta op, ga op reis, voor het volk uit, zodat zij in het land komen dat Ik hun vaderen gezworen heb hun te geven, en zij dat in bezit nemen.
[12] Nu dan, Israël, wat vraagt deHEERE , uw God, van u dan deHEERE , uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te gaan, Hem lief te hebben en deHEERE , uw God, te dienen, met heel uw hart en met heel uw ziel,
[13] en de geboden van deHEERE en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, in acht te nemen, u ten goede?
[14] Zie, van deHEERE , uw God, is de hemel, ja, de allerhoogste hemel, de aarde en alles wat erop is.
[15] Maar alleen voor uw vaderen heeft deHEERE liefde opgevat om hen lief te hebben, en Hij heeft hun nageslacht na hen, u, uit al de volken verkozen, zoals het heden ten dage nog is.
[16] Besnijd dan de voorhuid van uw hart en wees niet langer halsstarrig.
[17] Want deHEERE , uw God, is de God der goden en de Heere der heren; die grote, machtige en ontzagwekkende God, Die niet partijdig is en geen geschenk in ontvangst neemt,
[18] Die recht verschaft aan de wees en de weduwe, Die de vreemdeling liefheeft door hem brood en kleding te geven.
[19] Daarom moet u de vreemdeling liefhebben, want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte.
[20] DeHEERE , uw God, moet u vrezen, Hem moet u dienen, aan Hem moet u zich vasthouden en bij Zijn Naam moet u zweren.
[21] Hij is uw lof en Hij is uw God, Die bij u deze grote en ontzagwekkende dingen gedaan heeft, die uw ogen gezien hebben.
[22] Met zeventig zielen trokken uw vaderen naar Egypte, en nu heeft deHEERE , uw God, u zo talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel.