[1] En wanneer u in het land komt dat deHEERE , uw God, u als erfelijk bezit geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, moet het zó zijn
[2] dat u van de eerstelingen neemt van alle vruchten van het land, die u binnenhaalt van uw land, dat deHEERE , uw God, u geeft; en u moet die in een korf leggen en naar de plaats gaan die deHEERE , uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen.
[3] U moet naar de priester gaan die er in die dagen zal zijn, en tegen hem zeggen: Ik verklaar heden voor deHEERE , uw God, dat ik gekomen ben in het land dat deHEERE onze vaderen gezworen heeft ons te geven.
[4] Daarop zal de priester de korf uit uw hand nemen en die neerzetten voor het altaar van deHEERE , uw God.
[5] Dan moet u voor het aangezicht van deHEERE , uw God, betuigen en zeggen: Mijn vader was een verloren Syriër. Hij trok naar Egypte en verbleef daar als vreemdeling met weinig mensen, maar hij werd daar tot een groot, machtig en talrijk volk.
[6] Maar de Egyptenaren deden ons kwaad, onderdrukten ons en gaven ons harde slavenarbeid te verrichten.
[7] Toen riepen wij tot deHEERE , de God van onze vaderen; en deHEERE verhoorde onze stem en Hij zag onze ellende, onze moeite en onze onderdrukking.
[8] En deHEERE leidde ons uit Egypte, met een sterke hand, met een uitgestrekte arm, met grote ontzagwekkende daden, met tekenen en met wonderen.
[9] En Hij bracht ons naar deze plaats en gaf ons dit land, een land dat overvloeit van melk en honing.
[10] En nu, zie, ik heb de eerstelingen van de vruchten van het land dat U,HEERE , mij gegeven hebt, gebracht. Dan moet u ze neerzetten voor het aangezicht van deHEERE , uw God, en u neerbuigen voor het aangezicht van deHEERE , uw God,
[11] en u verblijden over al het goede dat deHEERE , uw God, aan u en uw gezin gegeven heeft; u, de Leviet, en de vreemdeling die in uw midden is.
[12] Wanneer u in het derde jaar, het jaar van de tienden, gereed bent met het afstaan van alle tienden van uw opbrengst, dan moet u het geven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, zodat zij binnen uw poorten kunnen eten en verzadigd worden.
[13] U moet dan voor het aangezicht van deHEERE , uw God, zeggen: Ik heb het geheiligde uit mijn huis weggenomen en het ook gegeven aan de Leviet, en aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe, overeenkomstig al Uw geboden, die U mij geboden hebt; ik heb geen van Uw geboden overtreden en niets vergeten.
[14] Ik heb er niets van gegeten toen ik in rouw was, er niets van weggenomen toen ik onrein was en er niets van meegegeven aan een dode. Ik ben de stem van deHEERE , mijn God, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan overeenkomstig alles wat U mij geboden hebt.
[15] Zie neer uit Uw heilige woning, uit de hemel, en zegen Uw volk Israël en het land dat U ons gegeven hebt, zoals U onze vaderen gezworen hebt, een land dat overvloeit van melk en honing.
[16] Op deze dag gebiedt deHEERE , uw God, u deze verordeningen en bepalingen te houden. U moet ze in acht nemen en houden met heel uw hart en met heel uw ziel.
[17] Heden hebt u deHEERE doen verklaren dat Hij u tot een God zal zijn, dat u in Zijn wegen zult gaan, dat u Zijn verordeningen, Zijn geboden en Zijn bepalingen in acht zult nemen, en dat u Zijn stem zult gehoorzamen.
[18] En deHEERE heeft u heden doen verklaren dat u voor Hem een volk zult zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is, zoals Hij tot u gesproken heeft, en dat u al Zijn geboden in acht moet nemen,
[19] en dat Hij u een plaats zal geven, hoog boven alle volken die Hij gemaakt heeft, tot lof, tot een naam en tot sieraad; en dat u een heilig volk zult zijn voor deHEERE , uw God, zoals Hij gesproken heeft.