[1] Elihu antwoordde verder, en zeide:
[2] Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?
[3] Want gij hebt gezegd: Wat zou zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmede doen, dan met mijn zonde?
[4] Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden met u.
[5] Bemerk den hemel en zie; en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hoger dan gij.
[6] Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem?
[7] Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand?
[8] Uw goddeloosheid zou zijn tegen een man, gelijk gij zijt, en uw gerechtigheid voor eens mensen kind.
[9] Vanwege hun grootheid doen zij de onderdrukten roepen; zij schreeuwen vanwege den arm der groten.
[10] Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, die de en geeft in den nacht?
[11] Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?
[12] Daar roepen zij; maar Hij antwoordt niet, vanwege den hoogmoed der bozen.
[13] Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.
[14] Dat gij ook gezegd hebt: Gij zult Hem niet aanschouwen; er is nochtans gericht voor Zijn aangezicht, wacht gij dan op Hem.
[15] Maar nu, dewijl het niets is, dat Zijn toorn Job bezocht heeft, en Hij hem niet zeer in overvloed doorkend heeft;
[16] Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.