[1] Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
[2] Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij.
[3] Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.
[4] Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
[5] Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik?
[6] Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte;
[7] Zal hij, gelijk zijn drek, in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij?
[8] Hij zal wegvlieden als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een gezicht des nachts.
[9] Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen.
[10] Zijn kinderen zullen zoeken den armen te behagen; en zijn handen zullen zijn vermogen moeten weder uitkeren.
[11] Zijn beenderen zullen vol van zijn verborgene zonden zijn; van welke elkeen met hem op het stof nederliggen zal.
[12] Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,
[13] Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;
[14] Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.
[15] Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven.
[16] Het vergif der adderen zal hij zuigen; de tong der slang zal hem doden.
[17] De stromen, rivieren, beken van honig en boter zal hij niet zien.
[18] Den arbeid zal hij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen zijner verandering, zo zal hij van vreugde niet opspringen.
[19] Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft, dat hij niet opgebouwd had;
[20] Omdat hij geen rust in zijn buik gekend heeft, zo zal hij van zijn gewenst goed niet uitbehouden.
[21] Er zal niets overig zijn, dat hij ete; daarom zal hij niet wachten naar zijn goed.
[22] Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen.
[23] Er zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte Zijns toorns zenden, en over hem regenen op zijn spijze.
[24] Hij zij gevloden van de ijzeren wapenen, de stalen boog zal hem doorschieten.
[25] Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterende uit zijn gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn.
[26] Alle duisternis zal verborgen zijn in zijn schuilplaatsen; een vuur, dat niet opgeblazen is, zal hem verteren; den overigen in zijn tent zal het kwalijk gaan.
[27] De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken.
[28] De inkomste van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal al henenvloeien in den dag Zijns toorns.
[29] Dit is het deel des goddelozen mensen van God, en de erve zijner redenen van God.