Skip to content
Opens in a new window

[1] Maar Job antwoordde en zeide:

[2] Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!

[3] Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?

[4] Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot.

[5] Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen.

[6] De tenten der verwoesters hebben rust, en die God tergen, hebben verzekerdheden, om hetgene God met Zijn hand toebrengt.

[7] En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.

[8] Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leren; ook zullen het u de vissen der zee vertellen.

[9] Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des HEEREN dit doet?

[10] In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen.

[11] Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt?

[12] In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.

[13] Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.

[14] Ziet, Hij breekt af, en het zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden.

[15] Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.

[16] Bij Hem is kracht en wijsheid; Zijns is de dwalende, en die doet dwalen.

[17] Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,

[18] Den band der koningen maakt Hij los, en Hij bindt den gordel aan hun lenden.

[19] Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.

[20] Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg.

[21] Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.

[22] Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwe brengt Hij voort in het licht.

[23] Hij vermenigvuldigt de volken, en verderft ze; Hij breidt de volken uit, en leidt ze.

[24] Hij neemt het hart van de hoofden des volks der aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.

[25] Zij tasten in de duisternis, waar geen licht is; en Hij doet hen dwalen, als een dronkaard.

Job — Chapters