Skip to content
Opens in a new window

[1] Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen.

[2] Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.

[3] Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste.

[4] Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren.

[5] Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief),

[6] Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.

[7] Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich.

[8] Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.

[9] Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord.

[10] Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.

[11] Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen.

[12] Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen.

[13] Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen.

[14] Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.

[15] Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.

[16] Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.

[17] Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet.

[18] Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.

[19] Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.

[20] Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij.

[21] Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk.

[22] Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.

[23] Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.

[24] Maar Hij zal tot den aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?

[25] Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?

[26] Nochtans toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid.

[27] Mijn ingewand ziedt, en is niet stil; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen.

[28] Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.

[29] Ik ben den draken een broeder geworden, en een metgezel der jonge struisen.

[30] Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid.

[31] Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.

Job — Chapters