Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:48

[1] Benjamin verwekte Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, de tweede, Ahrah, de derde,

[2] Naho, de vierde, Rafa, de vijfde.

[3] Bela had deze zonen: Addar, Gera, Abihud,

[4] Abisua, Naäman, Ahoah,

[5] Gera, Sefufan en Huram.

[6] Dit zijn de zonen van Ehud. Zij waren de familiehoofden van de inwoners van Geba, en hij voerde hen weg naar Manahath,

[7] met Naäman, Ahia en Gera. Deze heeft hen weggevoerd; ook verwekte hij Uzza en Ahihud.

[8] En Saharaïm verwekte kinderen in het land van Moab (nadat hij hen weggestuurd had) bij Husim en Baära, zijn vrouwen.

[9] Bij zijn vrouw Hodes verwekte hij Jobab, Zibja, Mesa, Malcam,

[10] Jeüz, Sochja en Mirma. Dit zijn zijn zonen, familiehoofden.

[11] En bij Husim verwekte hij Abitub en Elpaäl.

[12] De zonen van Elpaäl waren Eber, Misam, Semed (hij heeft Ono gebouwd en Lod met de bijbehorende plaatsen),

[13] Beria en Sema (zij waren familiehoofden van de inwoners van Ajalon; zij hebben de inwoners van Gath verdreven).

[14] Ahio, Sasak, Jeremoth,

[15] Zebadja, Arad, Eder,

[16] Michaël, Jispa en Joha waren zonen van Beria.

[17] Zebadja, Mesullam, Hizki, Heber,

[18] Jismerai, Jizlia en Jobab waren zonen van Elpaäl.

[19] Jakim, Zichri, Zabdi,

[20] Eljoënai, Zillethai, Eliël,

[21] Adaja, Beraja en Simrath waren zonen van Simeï.

[22] Jispan, Eber, Eliël,

[23] Abdon, Zichri, Hanan,

[24] Hananja, Elam, Antothia,

[25] Jifdeja en Pnuel waren zonen van Sasak.

[26] Samserai, Seharja, Athalja,

[27] Jaäresja, Elia en Zichri waren zonen van Jeroham.

[28] Dezen waren familiehoofden, hoofden over hun afstammelingen. Zij woonden in Jeruzalem.

[29] Te Gibeon woonde de vader van Gibeon, en de naam van zijn vrouw was Maächa.

[30] Zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, Kis, Baäl, Nadab,

[31] Gedor, Ahio en Zecher.

[32] En Mikloth verwekte Simea. Ook zij woonden bij hun broeders in Jeruzalem, met hun overige broeders.

[33] Ner verwekte Kis, Kis verwekte Saul, Saul verwekte Jonathan, Malchisua, Abinadab en Esbaäl.

[34] De zoon van Jonathan was Merib-Baäl, en Merib-Baäl verwekte Micha.

[35] De zonen van Micha waren Pithon, Melech, Taärea en Achaz.

[36] En Achaz verwekte Jehoadda, en Jehoadda verwekte Alemeth, Azmaveth en Zimri. Zimri verwekte Moza,

[37] Moza verwekte Bina; diens zoon was Rafa, diens zoon was Elasa, diens zoon was Azel.

[38] Azel had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, Ismaël, Searja, Obadja en Hanan. Deze allen waren zonen van Azel.

[39] De zonen van Esek, zijn broer, waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeüs, de tweede, en Elifelet, de derde.

[40] De zonen van Ulam waren mannen, strijdbare helden, die de boog spanden. Zij hadden veel zonen en kleinzonen, honderdvijftig. Deze allen hoorden bij de nakomelingen van Benjamin.

1 Kronieken — Chapters