Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:56

[1] Toen zei David: Dit hier is het huis van deHEERE God, en dit is het brandofferaltaar voor Israël.

[2] Vervolgens zei David dat men de vreemdelingen moest verzamelen die in het land Israël waren, en hij stelde steenhouwers aan om gehouwen stenen uit te hakken om het huis van God te bouwen.

[3] David maakte een grote hoeveelheid ijzer gereed voor de spijkers aan de poortdeuren en voor de verbindingsstukken, en een grote hoeveelheid koper, waar geen wegen aan was;

[4] en ook ontelbaar veel cederhout, want de Sidoniërs en de Tyriërs brachten een grote hoeveelheid cederhout naar David.

[5] David zei bij zichzelf: Mijn zoon Salomo is nog jong en onervaren; en het huis dat voor deHEERE gebouwd moet worden, moet men buitengewoon groot maken, zodat zijn naam en luister in alle landen bekend wordt. Ik zal daarom voor hem een voorraad gereedmaken. Zo maakte David vóór zijn dood een grote hoeveelheid voorraad gereed.

[6] Toen riep hij zijn zoon Salomo en gebood hem voor deHEERE , de God van Israël, een huis te bouwen.

[7] David zei tegen Salomo: Mijn zoon, ik zelf had het voornemen om voor de Naam van deHEERE , mijn God, een huis te bouwen,

[8] maar het woord van deHEERE kwam tot mij: U hebt een grote hoeveelheid bloed vergoten en u hebt grote oorlogen gevoerd. U mag voor Mijn Naam geen huis bouwen, omdat u een grote hoeveelheid bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt.

[9] Zie, een zoon zal u geboren worden; díe zal een man van rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden van rondom. Ja, Salomo zal zijn naam zijn, want Ik zal in zijn dagen vrede en stilte over Israël geven.

[10] Hij is het die voor Mijn Naam een huis zal bouwen, en hij is het die Mij tot een zoon zal zijn, en Ik hem tot een Vader. En Ik zal de troon van zijn koninkrijk tot in eeuwigheid over Israël bevestigen.

[11] Nu dan, mijn zoon, moge deHEERE met je zijn, en je zult voorspoedig zijn, en het huis van deHEERE , je God, bouwen, zoals Hij over jou gesproken heeft.

[12] Alleen, moge deHEERE je verstand en inzicht geven, als Hij je het bevel geeft over Israël, zodat je de wet van deHEERE , je God, in acht neemt.

[13] Dan zul je voorspoedig zijn, als je de verordeningen en bepalingen nauwlettend in acht neemt, die deHEERE aan Mozes voor Israël geboden heeft. Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en wees niet ontsteld!

[14] Zie, ik heb door al mijn verdrukking honderdduizend talent goud gereedgemaakt voor het huis van deHEERE , en een miljoen talent zilver; het koper en het ijzer is niet te wegen, want het is er in grote hoeveelheid. Ik heb ook hout en stenen gereedgemaakt; daar moet je nog meer aan toevoegen.

[15] Bij jou is een grote hoeveelheid mensen die het werk kunnen uitvoeren: steenhouwers en ambachtslieden die steen en hout bewerken, en allerlei wijze mannen om allerlei werk te doen.

[16] Het goud, het zilver, het koper en het ijzer is ontelbaar. Daarom, sta op en doe het, en deHEERE zal met je zijn.

[17] Ook gebood David alle leiders van Israël, om zijn zoon Salomo te helpen.

[18] Hij zei: Is niet deHEERE , uw God, met u, en heeft Hij u geen rust gegeven van rondom? Want Hij heeft de inwoners van het land in mijn hand gegeven, en dit land is onderworpen voor het aangezicht van deHEERE , en voor Zijn volk.

[19] Nu dan, richt uw hart en uw ziel erop om deHEERE , uw God, te zoeken. Sta op en bouw het heiligdom van deHEERE God, zodat men de ark van het verbond van deHEERE en de heilige voorwerpen van God in dit huis kan brengen, dat voor de Naam van deHEERE gebouwd zal worden.

1 Kronieken — Chapters