Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:57

[1] Dit waren de zonen van David, die bij hem in Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, bij Ahinoam uit Jizreël; de tweede Daniël, bij Abigaïl, uit Karmel;

[2] de derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, de koning in Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith;

[3] de vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, bij zijn vrouw Egla.

[4] Zes zonen zijn hem in Hebron geboren. Hij regeerde daar zeven jaar en zes maanden. Drieëndertig jaar regeerde hij in Jeruzalem.

[5] Deze zonen zijn hem in Jeruzalem geboren: Simea, Sobab, Nathan en Salomo. Deze vier zijn zonen van Bath-Sua, de dochter van Ammiël;

[6] en vervolgens Jibchar, Elisama, Elifelet,

[7] Nogah, Nefeg, Jafia,

[8] Elisama, Eljada en Elifelet, negen zonen.

[9] Zij zijn allen zonen van David, naast de zonen van de bijvrouwen, en Tamar, hun zuster.

[10] De zoon van Salomo was Rehabeam, diens zoon was Abia, diens zoon was Asa, diens zoon was Josafat,

[11] diens zoon was Joram, diens zoon was Ahazia, diens zoon was Joas,

[12] diens zoon was Amazia, diens zoon was Azaria, diens zoon was Jotham,

[13] diens zoon was Achaz, diens zoon was Hizkia, diens zoon was Manasse,

[14] diens zoon was Amon, diens zoon was Josia.

[15] De zonen van Josia waren Johanan, de eerstgeborene, Jojakim, de tweede, Zedekia, de derde, en Sallum, de vierde.

[16] De zonen van Jojakim waren zijn zoon Jechonia, en zijn zoon Zedekia.

[17] De zoon van Jechonia was Assir, diens zoon was Sealthiël,

[18] en vervolgens Malchiram, Pedaja, Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja.

[19] De zonen van Pedaja waren Zerubbabel en Simeï. De zonen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja, en Selomith was hun zuster.

[20] En vervolgens Hasuba, Ohel, Berechja, Hasadja, Jusabhesed, vijf zonen.

[21] De zonen van Hananja waren Pelatja en Jesaja. De zonen van Refaja, de zonen van Arnan, de zonen van Obadja, de zonen van Sechanja.

[22] De zoon van Sechanja was Semaja, en de zonen van Semaja waren Hattus, Jigeal, Bariah, Nearja en Safat, zes zonen.

[23] De zonen van Nearja waren Eljoënai, Hizkia en Azrikam, drie zonen.

[24] De zonen van Eljoënai waren Hodajeva, Eljasib, Pelaja, Akkub, Johanan, Delaja en Anani, zeven zonen.

1 Kronieken — Chapters