Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:54

[1] En Hiram, de koning van Tyrus, stuurde boden naar David, met cederhout, metselaars en timmerlieden, om een huis voor hem te bouwen.

[2] David besefte dat deHEERE hem tot koning over Israël bevestigd had, want zijn koningschap werd buitengewoon verheven ter wille van Zijn volk Israël.

[3] David nam in Jeruzalem nog meer vrouwen, en David verwekte nog meer zonen en dochters.

[4] Dit zijn de namen van de kinderen, die bij hem in Jeruzalem geboren zijn: Sammua en Sobab, Nathan en Salomo,

[5] Jibchar, Elisua, Elpelet,

[6] Nogah, Nefeg, Jafia,

[7] Elisama, Beëljada en Elifelet.

[8] Toen de Filistijnen hoorden dat David tot koning over heel Israël gezalfd was, trokken alle Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, trok hij uit hun tegemoet.

[9] Toen de Filistijnen kwamen, verspreidden zij zich in het dal Refaïm,

[10] en David vroeg aan God: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult U hen in mijn hand geven? En deHEERE zei tegen hem: Trek op, en Ik zal hen in uw hand geven.

[11] Toen zij optrokken naar Baäl-Perazim, versloeg David hen daar; en David zei: God is door mijn hand door mijn vijanden heen gebroken als een doorbraak van water. Daarom gaven zij die plaats de naam Baäl-Perazim.

[12] Zij lieten daar hun goden achter; en David gaf bevel en zij werden met vuur verbrand.

[13] Daarna verspreidden de Filistijnen zich opnieuw in dat dal.

[14] David vroeg God weer om raad en God zei tegen hem: U moet niet achter hen aan optrekken; maak een omtrekkende beweging van boven hen, zodat u bij hen komt van de zijde van de moerbeibomen.

[15] En laat het gebeuren, wanneer u het geluid van voetstappen in de toppen van de moerbeibomen hoort, dat u dan uittrekt ten strijde, want dan is God vóór u uit gegaan om het leger van de Filistijnen te verslaan.

[16] David deed zoals God hem geboden had en zij versloegen het leger van de Filistijnen van Gibeon af tot Gezer toe.

[17] Zo raakte de naam van David in alle landen verbreid, en op alle volken legde deHEERE grote vrees voor hem.

1 Kronieken — Chapters