[1] De last over de woestijn aan de zee. Zoals wervelwinden in het Zuiderland voorbijtrekken, komt het uit de woestijn, uit een vreselijk land.
[2] Een hard visioen is mij bekendgemaakt: de trouweloze handelt trouweloos, de verwoester verwoest. Trek op, Elam! Beleger Babel, Medië! Al haar zuchten heb Ik doen ophouden.
[3] Daarom zijn mijn lendenen vol pijnscheuten. Weeën hebben mij aangegrepen als de weeën van een barende vrouw. Ik krimp ineen bij het horen, ik ben verschrikt bij het zien.
[4] Mijn hart slaat over, huiver en angst overvallen mij. De avondschemering, waar ik anders zo naar verlang, maakt Hij voor mij tot een verschrikking.
[5] Maak de tafel gereed; spreid de kleden; eet, drink. Sta op, vorsten, bestrijk het schild!
[6] Want zo heeft de Heere tegen mij gezegd: Ga, zet een wachter uit; laat hem vertellen wat hij ziet.
[7] En ziet hij strijdwagens, ruiters twee aan twee, een karavaan ezels, een karavaan kamelen, laat hij dan scherp opletten, zeer scherp!
[8] Hij roept: Een leeuw! Heere, op de wachttoren sta ik overdag voortdurend. En op mijn wachtpost sta ik hele nachten door.
[9] Zie nu, daar komt het: strijdwagens, manschappen, ruiters twee aan twee! Hij neemt het woord en zegt: Gevallen, gevallen is Babel! En alle beelden van zijn goden heeft Hij tegen de grond stukgebroken.
[10] O mijn gedorste volk, graan van mijn dorsvloer; wat ik gehoord heb van deHEERE van de legermachten, de God van Israël, heb ik u bekendgemaakt.
[11] De last over Duma. Men roept mij uit Seïr toe: Wachter, hoe staat het met de nacht? Wachter, hoe staat het met de nacht?
[12] De wachter zei: De morgenstond is gekomen, maar het wordt ook nacht. Wilt u vragen, vraag! Keer terug, kom!
[13] De last over Arabië. U moet overnachten in het woud in Arabië, karavanen van de Dedanieten.
[14] Treed de dorstige tegemoet, breng water, inwoners van het land Tema, treed de vluchteling met brood voor hem tegemoet.
[15] Want zij zijn op de vlucht voor de zwaarden, voor het getrokken zwaard, voor de gespannen boog, en voor de druk van de oorlog.
[16] Want zo heeft de Heere tegen mij gezegd: Nog binnen een jaar, gerekend naar de jaren van een dagloner, zal het met al de luister van Kedar gedaan zijn.
[17] Het aantal overgebleven boogschutters, de helden van de Kedarenen – het zullen er maar weinig zijn. Want deHEERE , de God van Israël, heeft gesproken.