[1] De last over Moab. Voorzeker, in de nacht is het verwoest, Ar-Moab is uitgeroeid! Voorzeker, in de nacht is het verwoest, Kir-Moab is uitgeroeid!
[2] Men gaat op naar Baïth en Dibon, naar de hoogten om te wenen. Over Nebo en over Medeba zal Moab weeklagen. Alle hoofden zijn kaalgeschoren, elke baard is afgesneden.
[3] Op zijn straten zijn zij met een rouwgewaad omgord. Op hun daken en op hun pleinen is het een en al geweeklaag, ze dalen in tranen af.
[4] Zowel Hesbon als Eleale schreeuwt het uit, hun stem wordt gehoord tot in Jahaz toe. Daarom slaan de gewapende mannen van Moab alarm, zijn ziel siddert in hem.
[5] – Mijn hart schreeuwt het uit om Moab – Zijn vluchtelingen zijn al bij Zoar, Eglath Selisia. Ja, de weg omhoog naar Luhith gaan zij op met geween. Ja, op de weg naar Horonaïm heffen zij een noodgeschrei aan.
[6] Voorzeker, de wateren van Nimrim worden een woestenij, want het gras is verdord, de grasscheutjes zijn vergaan, groen is er niet meer.
[7] Daarom zullen zij de overvloed van wat zij hebben vergaard en gespaard, over de Wilgenbeek brengen.
[8] Voorzeker, het geschreeuw doorkruist het gebied van Moab, zijn gejammer tot Eglaïm toe, zijn gejammer tot Beër-Elim toe.
[9] Voorzeker, de wateren van Dimon zijn vol bloed. Ja, Ik zal over Dimon nog meer teweegbrengen: een leeuw over de ontkomenen van Moab, en over het overblijfsel van het land.