Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:07

[1] Hoor dit, priesters! Sla er acht op, huis van Israël! Neem ter ore, huis van de koning! Want het gericht gaat u aan, omdat u een strik geworden bent voor Mizpa, een uitgespannen net op de Tabor.

[2] De afvalligen zijn afgedaald om te slachten, maar Ik zal een vermaning voor hen allen zijn.

[3] Ikzelf ken Efraïm en Israël is voor Mij niet verborgen. Werkelijk, nu bedrijft Efraïm hoererij, Israël verontreinigt zich.

[4] Hun daden zijn er niet op gericht zich tot hun God te bekeren, want de geest van hoererij is in hun midden, en deHEERE kennen zij niet.

[5] De trots van Israël getuigt openlijk tegen hem. En Israël en Efraïm zullen struikelen om hun ongerechtigheid, en met hen zal ook Juda struikelen.

[6] Met hun schapen en hun runderen zullen zij deHEERE gaan zoeken, maar zij zullen Hem niet vinden: Hij heeft Zich aan hen onttrokken.

[7] Zij hebben trouweloos gehandeld tegen deHEERE , want zij hebben bastaardkinderen verwekt. Nu zal de nieuwemaan hen met hun stuk land verteren!

[8] Blaas de bazuin in Gibea, de trompet in Rama, sla alarm in Beth-Aven: Achter u, Benjamin!

[9] Efraïm zal tot een woestenij worden op de dag van de bestraffing. Onder de stammen van Israël maak Ik bekend wat zeker is.

[10] De vorsten van Juda zijn als verleggers van grenzen. Over hen zal Ik Mijn verbolgenheid uitstorten als water.

[11] Efraïm is onderdrukt, zijn recht verbroken, want hij heeft het zo gewild: hij heeft gewandeld overeenkomstig het gebod.

[12] Daarom ben Ik voor Efraïm als een mot, en voor het huis van Juda als een verrotting.

[13] Toen Efraïm zijn ziekte zag en Juda zijn gezwel, ging Efraïm naar Assyrië en stuurde hij boden naar koning Jareb. Maar die zal u niet kunnen genezen, en van u het gezwel niet wegnemen.

[14] Want Ik zal voor Efraïm zijn als een felle leeuw, voor het huis van Juda als een jonge leeuw. Ik, Ik verscheur en ga; Ik sleep weg en er zal geen redder zijn.

[15] Ik ga en keer terug naar Mijn woonplaats, totdat zij zich schuldig weten en Mijn aangezicht zoeken. In hun benauwdheid zullen zij Mij ernstig zoeken.

Hosea — Chapters