[1] Met leugen omringt Efraïm Mij, en het huis van Israël doet dat met bedrog. Juda echter trekt nog op met God en blijft met de heiligen trouw.
[2] Efraïm is een herder van wind en jaagt heel de dag de oostenwind na, leugen en verwoesting vermeerdert hij. Met Assyrië sluiten zij een verbond, olie wordt naar Egypte gebracht.
[3] DeHEERE heeft een rechtszaak met Juda. Hij zal Jakob vergelden naar zijn wegen, Hij zal zijn daden op hem doen terugkeren.
[4] In de moederschoot pakte hij zijn broer bij de hielen; in zijn kracht streed hij met God.
[5] Hij streed met de Engel en overwon; wenend vroeg hij Hem om genade. In Bethel vond Hij hem, en daar sprak Hij met ons,
[6] namelijk deHEERE , de God van de legermachten, HEERE is Zijn gedenknaam.
[7] En u, bekeer u tot uw God, houd u aan goedertierenheid en recht, zie voortdurend uit naar uw God.
[8] Kanaän heeft een bedrieglijke weegschaal in zijn hand, hij houdt ervan af te persen.
[9] Nog zegt Efraïm: Al ben ik rijk geworden, al heb ik voor mijzelf vermogen verworven, in al mijn inspanningen vinden zij bij mij geen ongerechtigheid, die zonde is.
[10] Maar Ik ben deHEERE , uw God, sinds het land Egypte. Ik zal u weer in tenten doen wonen zoals in de dagen van de samenkomst.
[11] En Ik zal tot de profeten spreken, en Ík zal de visioenen talrijk maken, en Ik zal door de dienst van de profeten in gelijkenissen spreken.
[12] Was Gilead al ongerechtigheid, nu zijn zij helemaal nutteloos geworden. In Gilgal hebben zij stieren geofferd. Ook hun altaren zijn als steenhopen in de voren van de velden.
[13] Jakob vluchtte naar het gebied van Syrië, Israël diende om een vrouw en om een vrouw hoedde hij vee.
[14] Door een profeet heeft deHEERE Israël echter uit Egypte geleid en door een profeet werd het gehoed.
[15] Efraïm echter heeft Hem tot zeer bittere toorn verwekt. Daarom zal Hij zijn vergoten bloed op hem laten neerkomen, zijn Heere zal hem zijn smaad vergelden.