Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 5:03

[1] Zo zijn de hemel en de aarde voltooid, en heel hun legermacht.

[2] Toen God op de zevende dag Zijn werk, dat Hij gemaakt had, voltooid had, rustte Hij op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.

[3] En God zegende de zevende dag en heiligde die, want daarop rustte Hij van al Zijn werk, dat God schiep door het te maken.

[4] Dit is wat uit de hemel en de aarde voortkwam, toen zij geschapen werden. Op de dag dat deHEERE God aarde en hemel maakte –

[5] er was nog geen enkele veldstruik op de aarde en er was nog geen enkel veldgewas opgekomen, want deHEERE God had het niet laten regenen op de aarde; en er was geen mens om de aardbodem te bewerken,

[6] maar een damp steeg uit de aarde op en bevochtigde heel de aardbodem –

[7] toen vormde deHEERE God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.

[8] Ook plantte deHEERE God een hof in Eden, in het oosten, en Hij plaatste daar de mens, die Hij gevormd had.

[9] En deHEERE God liet allerlei bomen uit de aardbodem opkomen, begerenswaardig om te zien en goed om van te eten; ook de boom des levens, in het midden van de hof, en de boom van de kennis van goed en kwaad.

[10] Een rivier kwam voort uit Eden om de hof te bevochtigen. En vandaar splitste hij zich en vormde vier hoofdstromen.

[11] De naam van de eerste rivier is Pison; die is het die rond heel het land van Havila stroomt, waar het goud is.

[12] En het goud van dit land is goed; ook is er balsemhars en de edelsteen onyx.

[13] En de naam van de tweede rivier is Gihon; die is het die rond heel het land Cusj stroomt.

[14] En de naam van de derde rivier is Tigris; die loopt ten oosten van Assur. En de vierde rivier is de Eufraat.

[15] DeHEERE God nam de mens, en zette hem in de hof van Eden om die te bewerken en te onderhouden.

[16] En deHEERE God gebood de mens: Van alle bomen van de hof mag u vrij eten,

[17] maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven.

[18] Ook zei deHEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem.

[19] DeHEERE God vormde uit de aardbodem alle dieren van het veld en alle vogels in de lucht, en bracht die bij Adam om te zien hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam elk levend wezen noemen zou, zo zou zijn naam zijn.

[20] Zo gaf Adam namen aan al het vee en aan de vogels in de lucht en aan alle dieren van het veld; maar voor de mens vond hij geen hulp als iemand tegenover hem.

[21] Toen liet deHEERE God een diepe slaap op Adam vallen, zodat hij in slaap viel; en Hij nam een van zijn ribben en sloot de plaats ervan toe met vlees.

[22] En deHEERE God bouwde de rib die Hij uit Adam genomen had, tot een vrouw en Hij bracht haar bij Adam.

[23] Toen zei Adam: Deze is ditmaal been van mijn beenderen, en vlees van mijn vlees! Deze zal mannin genoemd worden, want uit de man is zij genomen.

[24] Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn.

[25] En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw, maar zij schaamden zich niet.

Genesis — Chapters