Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:36

[1] Dit zijn de afstammelingen van de zonen van Noach, Sem, Cham en Jafeth. Bij hen werden na de vloed zonen geboren.

[2] De zonen van Jafeth zijn: Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras.

[3] De zonen van Gomer zijn: Askenaz, Rifath en Togarma.

[4] De zonen van Javan zijn: Elisa en Tarsis, de Kittiërs en de Dodanieten.

[5] Van hen stammen de mensen af die zich over de kustlanden van de volken verspreid hebben, in hun landen, elk overeenkomstig zijn taal, overeenkomstig hun geslachten, onder hun volken.

[6] De zonen van Cham zijn: Cusj, Mizraïm, Put en Kanaän.

[7] De zonen van Cusj zijn: Seba, Havila, Sabta, Raëma en Sabtecha. De zonen van Raëma zijn: Sjeba en Dedan.

[8] En Cusj verwekte Nimrod; die begon een geweldenaar op de aarde te worden.

[9] Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van deHEERE ; daarom wordt gezegd: Als Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van deHEERE .

[10] Het begin van zijn koninkrijk bestond uit Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear.

[11] Uit dit land is Assur weggegaan en hij bouwde Ninevé, Rehoboth-Ir, Kalach

[12] en Resen, tussen Ninevé en Kalach; dat is de grote stad.

[13] Mizraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten,

[14] de Pathrusieten, de Kasluchieten – uit wie de Filistijnen voortgekomen zijn – en de Kaftorieten.

[15] Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, Heth,

[16] en de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet,

[17] de Heviet, de Arkiet, de Siniet,

[18] de Arvadiet, de Zemariet en de Hamathiet; daarna zijn de geslachten van de Kanaänieten verspreid.

[19] En de grens van de Kanaänieten reikte van Sidon in de richting van Gerar tot aan Gaza, en in de richting van Sodom, Gomorra, Adama en Zeboïm, tot aan Lasa.

[20] Dit waren de zonen van Cham, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun talen, met hun landen en hun volken.

[21] Ook bij Sem zijn zonen geboren; hij is de voorvader van alle zonen van Heber, en de broer van Jafeth, de oudste.

[22] Sems zonen waren: Elam, Assur, Arfachsad, Lud en Aram.

[23] De zonen van Aram waren: Uz, Hul, Gether en Mas.

[24] Arfachsad verwekte Selah, en Selah verwekte Heber.

[25] Bij Heber werden twee zonen geboren; de naam van de ene was Peleg, omdat in zijn dagen de aarde verdeeld is, en de naam van zijn broer was Joktan.

[26] Joktan verwekte Almodad, Selef, Hazarmavet, Jerah,

[27] Hadoram, Uzal, Dikla,

[28] Obal, Abimaël, Sjeba,

[29] Ofir, Havila en Jobab. Zij allen waren zonen van Joktan.

[30] Hun woongebied reikte van Mesja tot in de richting van Sefar, het bergland in het oosten.

[31] Dit waren de zonen van Sem, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun talen, met hun landen en hun volken.

[32] Dit waren de geslachten van de zonen van Noach, ingedeeld naar hun afstamming, met hun volken; van hen stammen de volken af die zich na de vloed over de aarde hebben verspreid.

Genesis — Chapters