Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:50

[1] Na deze dingen kwam het woord van deHEERE tot Abram in een visioen: Wees niet bevreesd, Abram, Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot.

[2] Toen zei Abram: HeereHEERE , wat zult U mij dan geven, aangezien ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn huis deze Eliëzer uit Damascus zal zijn?

[3] Verder zei Abram: Zie, mij hebt U geen nageslacht gegeven, en zie, iemand die in mijn huis geboren is, zal mijn erfgenaam zijn.

[4] Maar zie, het woord van deHEERE kwam tot hem: Deze man zal uw erfgenaam niet zijn, maar iemand die uit uw eigen lichaam voortkomt, die zal uw erfgenaam zijn.

[5] Toen leidde Hij hem naar buiten en zei: Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als u ze kunt tellen. En Hij zei tegen hem: Zo talrijk zal uw nageslacht zijn.

[6] En hij geloofde in deHEERE , en Die rekende hem dat tot gerechtigheid.

[7] Verder zei Hij tegen hem: Ik ben deHEERE , Die u uit Ur van de Chaldeeën geleid heeft, om u dit land te geven om het in bezit te hebben.

[8] Hij zei: HeereHEERE , waardoor zal ik weten dat ik het in bezit zal krijgen?

[9] Hij zei tegen hem: Haal voor Mij een driejarige jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif.

[10] Hij haalde al deze dieren voor Hem, deelde ze doormidden en legde de stukken tegenover elkaar; de vogels deelde hij echter niet.

[11] Er kwamen roofvogels op de kadavers af, maar Abram joeg die weg.

[12] En het gebeurde, toen de zon bijna onderging, dat er een diepe slaap op Abram viel. En zie, een grote, schrikwekkende duisternis viel op hem.

[13] Toen zei God tegen Abram: Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken.

[14] Maar ook zal Ik over het volk dat zij zullen dienen, rechtspreken en daarna zullen zij met veel bezittingen wegtrekken.

[15] Maar ú zult in vrede tot uw vaderen heengaan; u zult in goede ouderdom begraven worden.

[16] De vierde generatie zal hier terugkeren, want de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol.

[17] En het gebeurde dat de zon onderging en het donker werd; en zie, er was een rokende oven en een brandende fakkel, die tussen die stukken doorging.

[18] Op die dag sloot deHEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:

[19] de Kenieten, de Kenezieten, de Kadmonieten,

[20] de Hethieten, de Ferezieten, de Refaïeten,

[21] de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten.

Genesis — Chapters