Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:30

[1] Opnieuw sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, er was een Man met een meetsnoer in Zijn hand.

[2] Toen zei ik: Waar gaat U heen? Hij zei tegen mij: Ik ga Jeruzalem opmeten om te zien hoe groot zijn breedte en hoe groot zijn lengte zal zijn.

[3] En zie, de Engel Die met mij sprak, trad naar voren en een andere engel trad Hem tegemoet.

[4] En Hij zei tegen hem: Loop snel, spreek tot die jongeman en zeg: Jeruzalem zal niet ommuurd blijven, vanwege de veelheid aan mensen en dieren in haar midden.

[5] En Ík zal voor haar zijn, spreekt deHEERE , een muur van vuur rondom, en Ik zal in haar midden tot heerlijkheid zijn.

[6] O, o, vlucht dan uit het land van het noorden! spreekt deHEERE , want Ik heb u verspreid over de vier windstreken van de hemel, spreekt deHEERE .

[7] O, Sion! Zie te ontkomen, u die woont bij de dochter van Babel!

[8] Want zo zegt deHEERE van de legermachten: Nadat Hij heerlijkheid heeft beloofd, heeft Hij Mij gezonden tot die heidenvolken die u beroven, want wie u aanraakt, raakt Zijn oogappel aan.

[9] Want, zie, Ik beweeg Mijn hand over hen en zij zullen hun dienaren tot buit worden. Dan zult u weten dat deHEERE van de legermachten Mij gezonden heeft.

[10] Juich en verblijd u, dochter van Sion, want, zie, Ik kom, en zal in uw midden wonen, spreekt deHEERE .

[11] Veel heidenvolken zullen op die dag bij deHEERE gevoegd worden en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal in uw midden wonen. Dan zult u weten dat deHEERE van de legermachten Mij tot u gezonden heeft.

[12] DeHEERE zal Juda in eigendom nemen als Zijn deel in het heilige land. Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.

[13] Wees stil voor het aangezicht van deHEERE , alle vlees, want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning.

Zacharia — Chapters