[1] DeHEERE sprak tot Mozes:
[2] Gebied de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u het land Kanaän binnenkomt, zal dit het land zijn dat u als erfelijk bezit toevalt, het land Kanaän wat zijn grenzen betreft:
[3] de zuidzijde zal voor u vanaf de woestijn Zin langs Edom lopen en de zuidgrens zal voor u aan de oostkant vanaf het einde van de Zoutzee lopen.
[4] Deze grens zal voor u van het zuiden naar de Schorpioenenpas ombuigen en doorlopen tot Zin, en haar uitlopers zullen vanuit het zuiden naar Kades-Barnea lopen en uitkomen bij Hazar-Addar en doorlopen tot Azmon.
[5] Deze grens zal dan van Azmon naar de Beek van Egypte ombuigen en haar uitlopers zullen naar de zee lopen.
[6] Wat betreft de westgrens, dat zal voor u de Grote Zee zijn; dat zal voor u de westgrens zijn.
[7] En dit zal voor u de noordgrens zijn: vanaf de Grote Zee moet u voor uzelf een lijn tekenen naar de berg Hor;
[8] van de berg Hor moet u een lijn tekenen naar Lebo-Hamath; de uitlopers van deze grens zullen naar Zedad lopen.
[9] Deze grens zal uitkomen bij Zifron, en haar uitlopers zullen naar Hazar-Enan lopen; dit zal voor u de noordgrens zijn.
[10] Verder moet u voor uzelf voor de grens aan de oostkant een lijn trekken van Hazar-Enan naar Sefam.
[11] Van Sefam zal deze grens naar beneden lopen naar Ribla, ten oosten van Aïn; vervolgens zal de grens verder naar beneden lopen en langs de oever van het Kinnerethmeer in oostelijke richting lopen.
[12] Daarna zal de grens nog verder, langs de Jordaan, naar beneden lopen en haar uitlopers zullen naar de Zoutzee lopen. Dit zal voor u het land zijn wat zijn grenzen rondom betreft.
[13] En Mozes gebood de Israëlieten: Dit is het land dat u door het lot in erfbezit moet nemen, dat deHEERE geboden heeft aan de negen en een halve stam te geven.
[14] Want de stam van de nakomelingen van de Rubenieten, naar hun families, en de stam van de nakomelingen van de Gadieten, naar hun families, hebben hun erfelijk bezit al ontvangen; ook de halve stam Manasse heeft zijn erfelijk bezit ontvangen.
[15] Deze twee en een halve stam hebben hun erfelijk bezit ontvangen aan deze zijde van de Jordaan, ter hoogte van Jericho, aan de oostkant, waar de zon opkomt.
[16] DeHEERE sprak tot Mozes:
[17] Dit zijn de namen van de mannen die het land als erfbezit onder u moeten verdelen: de priester Eleazar en Jozua, de zoon van Nun.
[18] En uit elke stam moet u een leider nemen om het land als erfbezit te verdelen.
[19] Dit nu zijn de namen van deze mannen: uit de stam Juda: Kaleb, de zoon van Jefunne;
[20] en uit de stam van de nakomelingen van Simeon: Semuel, zoon van Ammihud;
[21] uit de stam Benjamin: Elidad, zoon van Chislon;
[22] en uit de stam van de nakomelingen van Dan: de leider Bukki, zoon van Jogli;
[23] van de nakomelingen van Jozef: uit de stam van de nakomelingen van Manasse: de leider Hanniël, zoon van Efod;
[24] en uit de stam van de nakomelingen van Efraïm: de leider Kemuel, zoon van Siftan;
[25] en uit de stam van de nakomelingen van Zebulon: de leider Elizafan, zoon van Parnach;
[26] en uit de stam van de nakomelingen van Issaschar: de leider Paltiël, zoon van Azzan;
[27] en uit de stam van de nakomelingen van Aser: de leider Achihud, zoon van Selomi;
[28] en uit de stam van de nakomelingen van Naftali: de leider Pedaël, zoon van Ammihud.
[29] Dit zijn zij aan wie deHEERE geboden heeft het erfbezit aan de Israëlieten in het land Kanaän toe te wijzen.