Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 9:26

[1] Dit zijn de rustplaatsen van de Israëlieten, die uit het land Egypte vertrokken zijn, ingedeeld naar hun legers, door de dienst van Mozes en Aäron.

[2] Mozes schreef hun vertrekpunten op, van rustplaats tot rustplaats, op bevel van deHEERE . Dit nu zijn hun rustplaatsen, ingedeeld naar hun vertrekpunten.

[3] Zij braken op van Rameses; in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand, de dag na het Pascha, vertrokken de Israëlieten door een opgeheven hand, voor de ogen van alle Egyptenaren,

[4] terwijl de Egyptenaren hen begroeven die deHEERE onder hen getroffen had, alle eerstgeborenen; ook had deHEERE strafgerichten voltrokken over hun goden.

[5] De Israëlieten braken op van Rameses en sloegen hun kamp op in Sukkoth.

[6] Zij braken op van Sukkoth en sloegen hun kamp op in Etham, dat aan de rand van de woestijn ligt.

[7] Zij braken op van Etham en keerden terug naar Pi-Hachiroth, dat tegenover Baäl-Zefon ligt, en sloegen hun kamp op voor Migdol.

[8] Zij braken op van Pi-Hachiroth en staken over, midden door de zee, naar de woestijn; zij gingen drie dagreizen de woestijn Etham in, en sloegen hun kamp op in Mara.

[9] Zij braken op van Mara, en kwamen in Elim – in Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen – en zij sloegen daar hun kamp op.

[10] Zij braken op van Elim en sloegen hun kamp op aan de Schelfzee.

[11] Zij braken op van de Schelfzee en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin.

[12] Zij braken op uit de woestijn Sin en sloegen hun kamp op in Dofka.

[13] Zij braken op van Dofka en sloegen hun kamp op in Aluz.

[14] Zij braken op van Aluz en sloegen hun kamp op in Rafidim; maar daar was geen water voor het volk om te drinken.

[15] Zij braken op van Rafidim en sloegen hun kamp op in de woestijn Sinaï.

[16] Zij braken op uit de woestijn Sinaï en sloegen hun kamp op in Kibroth-Taäva.

[17] Zij braken op van Kibroth-Taäva en sloegen hun kamp op in Hazeroth.

[18] Zij braken op van Hazeroth en sloegen hun kamp op in Rithma.

[19] Zij braken op van Rithma en sloegen hun kamp op in Rimmon-Perez.

[20] Zij braken op van Rimmon-Perez en sloegen hun kamp op in Libna.

[21] Zij braken op van Libna en sloegen hun kamp op in Rissa.

[22] Zij braken op van Rissa en sloegen hun kamp op in Kehelatha.

[23] Zij braken op van Kehelatha en sloegen hun kamp op in het bergland van Safer.

[24] Zij braken op van het bergland van Safer en sloegen hun kamp op in Harada.

[25] Zij braken op van Harada en sloegen hun kamp op in Makheloth.

[26] Zij braken op van Makheloth en sloegen hun kamp op in Tachath.

[27] Zij braken op van Tachath en sloegen hun kamp op in Tarah.

[28] Zij braken op van Tarah en sloegen hun kamp op in Mithka.

[29] Zij braken op van Mithka en sloegen hun kamp op in Hasmona.

[30] Zij braken op van Hasmona en sloegen hun kamp op in Moseroth.

[31] Zij braken op van Moseroth en sloegen hun kamp op in Bene-Jaäkan.

[32] Zij braken op van Bene-Jaäkan en sloegen hun kamp op in Hor-Haggidgad.

[33] Zij braken op van Hor-Haggidgad en sloegen hun kamp op in Jotbatha.

[34] Zij braken op van Jotbatha en sloegen hun kamp op in Abrona.

[35] Zij braken op van Abrona en sloegen hun kamp op in Ezeon-Geber.

[36] Zij braken op van Ezeon-Geber en sloegen hun kamp op in de woestijn Zin, dat is Kades.

[37] Zij braken op van Kades en sloegen hun kamp op bij de berg Hor, aan de grens van het land Edom.

[38] Toen beklom de priester Aäron de berg Hor, op bevel van deHEERE , en hij stierf daar, in het veertigste jaar nadat de Israëlieten uit het land Egypte vertrokken waren, in de vijfde maand, op de eerste van de maand.

[39] En Aäron was honderddrieëntwintig jaar oud toen hij stierf op de berg Hor.

[40] De koning van Harad, de Kanaäniet, die in het Zuiderland woonde, in het land Kanaän, hoorde dat de Israëlieten in aantocht waren.

[41] Zij braken op van de berg Hor en sloegen hun kamp op in Zalmona.

[42] Zij braken op van Zalmona en sloegen hun kamp op in Punon.

[43] Zij braken op van Punon en sloegen hun kamp op in Oboth.

[44] Zij braken op van Oboth en sloegen hun kamp op bij de ruïnes van Abarim, in het grensgebied van Moab.

[45] Zij braken op van de ruïnes van Abarim en sloegen hun kamp op in Dibon-Gad.

[46] Zij braken op van Dibon-Gad en sloegen hun kamp op in Almon-Diblathaïm.

[47] Zij braken op van Almon-Diblathaïm en sloegen hun kamp op in de bergen van Abarim, voor Nebo.

[48] Zij braken op van de bergen van Abarim en sloegen hun kamp op in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho.

[49] En zij sloegen hun kamp op aan de Jordaan, van Beth-Jesimoth tot aan Abel-Sittim, in de vlakten van Moab.

[50] En deHEERE sprak tot Mozes in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho:

[51] Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u de Jordaan oversteekt naar het land Kanaän,

[52] dan moet u alle inwoners van het land van vóór uw ogen verdrijven, en al hun beeldhouwwerken vernielen; ook moet u al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten wegvagen.

[53] En u moet het land in bezit nemen en daarin wonen, want Ik heb u dat land gegeven om het in bezit te nemen.

[54] En u moet het land in erfelijk bezit nemen door het lot, overeenkomstig uw geslachten: voor hen die met velen zijn, moet u hun erfelijk bezit groot maken, en voor hen die met weinigen zijn, moet u hun erfelijk bezit minder groot maken. Waarop voor iemand het lot valt, dat zal hij hebben; overeenkomstig de stammen van uw vaderen zult u het land in erfbezit nemen.

[55] Maar als u de inwoners van het land niet van voor uw ogen verdrijft, dan zal het gebeuren dat zij die u van hen liet overblijven, als dorens zullen worden in uw ogen en tot prikkels in uw zijden; zij zullen u benauwen in het land waar u woont.

[56] En het zal gebeuren dat Ik met u zal doen zoals Ik met hen dacht te doen.

Numberi — Chapters