Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 7:44

[1] Het woord van deHEERE kwam tot mij:

[2] En u, mensenkind, hef een klaaglied aan over Tyrus,

[3] en zeg tegen Tyrus, dat zetelt bij de toegangen naar de zee, dat met de volken handeldrijft in veel kustlanden: Zo zegt de HeereHEERE : Tyrus, ú hebt gezegd: Ik ben volmaakt in schoonheid.

[4] Uw grenzen liggen in het hart van de zeeën. Zij die u bouwden, maakten uw schoonheid volkomen.

[5] Van cipressen uit Senir bouwden zij al uw scheepsvloeren, ceders uit Libanon namen zij om masten voor u te maken.

[6] Van eiken van Basan maakten zij uw roeiriemen, uw planken maakten zij van ivoor, ingelegd in cipressenhout, uit de kustlanden van de Kittiërs.

[7] Uw zeildoek was van kleurrijk geborduurd fijn linnen uit Egypte, om als banier voor u te dienen. Uw dektent was blauwpurper en roodpurper uit de kustlanden van Elisa.

[8] Als roeiers had u de inwoners van Sidon en Arvad. Uw wijzen, Tyrus, die in u waren, díe waren uw matrozen.

[9] De oudsten van Gebal en zijn wijzen waren bij u. Zij dichtten de lekken in uw schepen. Alle zeeschepen en hun zeelieden kwamen bij u om handel met u te drijven.

[10] Perzen, Lydiërs en Puteeërs dienden in uw leger als uw strijdbare mannen. Schild en helm hingen zij bij u op. Díe vormden uw sieraad.

[11] Arvadieten en Chelekieten waren rondom op uw muren, en Gammadieten waren op uw torens. Hun schilden hingen zij rondom aan uw muren. Díe maakten uw schoonheid volkomen.

[12] Tarsis deed zaken met u vanwege de overvloed aan allerlei bezittingen: voor zilver, ijzer, tin en lood verhandelden zij uw waren.

[13] Javan, Tubal en Mesech, díe waren uw handelaars. Zij leverden u slaven en koperen voorwerpen als handelswaar.

[14] Uit Beth-Togarma leverde men werkpaarden, rijpaarden en muildieren voor uw waren.

[15] De Dedanieten dreven handel voor u. Veel kustlanden verkochten uw handelswaar. Ivoren slagtanden en ebbenhout gaven zij u als schatting terug.

[16] Syrië deed zaken met u vanwege het vele werk dat u leverde. Smaragden, roodpurper, en kleurrijk geborduurd werk, fijn linnen, koraal en robijnen leverden zij voor uw waren.

[17] Juda en het land Israël, díe waren uw handelaars in tarwe van Minnit, fijn meel, honing, olie en balsem, die zij als handelswaar aan u leverden.

[18] Damascus deed zaken met u vanwege het vele werk dat u leverde, vanwege de veelheid van allerlei bezittingen: wijn uit Chelbon en witte wol.

[19] Vedan en Javan leverden u handelswaar uit Uzal. Smeedijzer, kassia en kalmoes behoorden tot uw handelswaar.

[20] Dedan was uw handelaar in zadelkleden voor het paardrijden.

[21] Arabië en alle vorsten van Kedar, die deden zaken met u in lammeren, rammen en bokken. Daarin deden zij zaken met u.

[22] De handelaars van Sjeba en Raëma, díe waren uw handelaars in de allerbeste specerijen. Allerlei edelstenen en goud leverden zij u als uw waren.

[23] Haran, Kanne en Eden, de handelaars van Sjeba, Assur en Kilmad dreven handel met u.

[24] Zij waren op uw markten uw handelaars in pronkgewaden, in blauwpurperen mantels, voorzien van kleurrijk borduurwerk, in kleden van tweekleurige stof en in stevig gevlochten touwen.

[25] De schepen van Tarsis vervoerden uw handelswaar voor u. Zo lag u vol en zeer zwaar bevracht in het hart van de zeeën.

[26] Uw roeiers hebben u gebracht op grote wateren, de oostenwind heeft u gebroken in het hart van de zeeën.

[27] Uw bezittingen, uw waren, uw handelswaar, uw zeelieden, uw matrozen, zij die de lekken in uw schepen dichtten, zij die handel met u dreven, al uw strijdbare mannen die bij u waren, samen met heel uw menigte, die in uw midden is, zullen vallen in het hart van de zeeën op de dag van uw val.

[28] Voor het geluid van het geschreeuw van uw matrozen beven de opgezweepte golven.

[29] Allen die roeiriemen vastgrijpen, dalen af uit hun schepen. Zeelieden, alle matrozen van de zee: zij staan aan land.

[30] Zij laten hun stem over u horen, bitter schreeuwen zij, stof werpen zij op hun hoofd, zij wentelen zich in de as.

[31] Vanwege u scheren zij zich helemaal kaal en omgorden zij zich met rouwgewaden. Zij bewenen u, bitter van ziel, met een bittere rouwklacht.

[32] Jammerend zullen zij een klaaglied over u aanheffen en een weeklacht over u zingen: Wie was als Tyrus, als de verwoeste, in het midden van de zee?

[33] Toen uw waren van overzee kwamen, verzadigde u veel volken. Met uw vele bezittingen en uw handelswaar maakte u de koningen van de aarde rijk.

[34] Nu ligt u in de waterdiepten, gebroken door de zeeën; uw handelswaar en heel uw menigte zijn uit uw midden weggevallen.

[35] Alle bewoners van de kustlanden zijn ontzet over u, en hun koningen rijzen de haren te berge, hun gezichten staan verwrongen.

[36] Zij die zaken doen onder de volken, sissen van afschuw over u. U bent een voorwerp van verschrikking geworden, en u zult niet meer bestaan tot in eeuwigheid.

Ezekiël — Chapters