Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:15

[1] Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk: dat is uw redelijke godsdienst.

[2] En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.

[3] Want door de genade die mij gegeven is, zeg ik ieder onder u niet hoger te denken dan hij moet denken, maar laat hij denken in bescheidenheid, naar de mate van geloof zoals God die aan ieder heeft toebedeeld.

[4] Want zoals wij in één lichaam vele leden hebben en de leden niet alle dezelfde functie hebben,

[5] zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden van elkaar.

[6] En nu hebben wij genadegaven, onderscheiden naar de genade die ons is gegeven:

[7] hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij dienstbetoon, in het dienen; hetzij wie onderwijst, in het onderwijzen;

[8] hetzij wie bemoedigt, in het bemoedigen; wie uitdeelt, in oprechtheid; wie leiding geeft, met inzet; wie zich over anderen ontfermt, met blijmoedigheid.

[9] Laat de liefde ongeveinsd zijn. Heb een afkeer van het kwade en houd vast aan het goede.

[10] Heb elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde. Ga elkaar voor in eerbetoon.

[11] Wees niet traag wat uw inzet betreft. Wees vurig van geest. Dien de Heere.

[12] Verblijd u in de hoop. Wees geduldig in de verdrukking. Volhard in het gebed.

[13] Wees deelgenoot in de noden van de heiligen. Leg u toe op de gastvrijheid.

[14] Zegen wie u vervolgen. Zegen hen en vervloek hen niet.

[15] Verblijd u met hen die blij zijn, en huil met hen die huilen.

[16] Wees eensgezind onder elkaar. Streef niet naar de hoge dingen, maar houd u bij de nederige. Wees niet wijs in eigen oog.

[17] Vergeld niemand kwaad met kwaad. Wees bedacht op wat goed is voor alle mensen.

[18] Leef, zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, in vrede met alle mensen.

[19] Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere.

[20] Als dan uw vijand honger heeft, geef hem te eten, als hij dorst heeft, geef hem te drinken, want door dat te doen, zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen.

[21] Word niet overwonnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

Romeinen — Chapters