Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:36

[1] Een last, het woord van deHEERE tot Israël, door de dienst van Maleachi.

[2] Ik heb u liefgehad, zegt deHEERE , maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad? Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt deHEERE . Toch heb Ik Jakob liefgehad,

[3] en Ezau heb Ik gehaat. Ik heb zijn bergen gemaakt tot een woestenij, en zijn erfelijk bezit prijsgegeven aan de jakhalzen van de woestijn.

[4] Hoewel Edom zegt: Als wij verwoest worden, bouwen wij de puinhopen weer op, zegt deHEERE van de legermachten dit: Zullen zíj bouwen, dan zal Ík afbreken, en men zal hen noemen: Goddeloos gebied, en: Het volk waarop deHEERE tot in eeuwigheid toornig is.

[5] Uw eigen ogen zullen het zien, en u zult zelf zeggen: Groot is deHEERE , tot over de grenzen van Israël!

[6] Een zoon eert zijn vader en een slaaf zijn heer. Als Ik dan een Vader ben, waar is de eerbied voor Mij? En als Ik een Heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt deHEERE van de legermachten tegen u, priesters die Mijn Naam verachten. Maar u zegt: Waardoor verachten wij Uw Naam?

[7] Doordat u onrein brood op Mijn altaar brengt. En u zegt: Waardoor maken wij U onrein? Doordat u zegt: De tafel van deHEERE , die is verachtelijk.

[8] En als u een blind dier ten offer brengt: Dat is niet erg! En als u een kreupel of ziek dier ten offer brengt: Dat is niet erg! Bied het maar eens aan uw landvoogd aan. Zou hij u goedgezind zijn of u ter wille zijn? Dit zegt deHEERE van de legermachten.

[9] Nu dan, tracht toch het aangezicht van God gunstig te stemmen, dat Hij ons genadig zal zijn. Dit gebeurt door uw hand: zou Hij u ter wille zijn? zegt deHEERE van de legermachten.

[10] Was er ook maar iemand onder u die de deuren zou sluiten, dan zou u niet zonder reden Mijn altaar aansteken. Ik heb geen welgevallen in u, zegt deHEERE van de legermachten, en een graanoffer uit uw hand aanvaard Ik niet.

[11] Want vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenvolken; in elke plaats zal aan Mijn Naam een reukoffer gebracht worden, en een rein graanoffer. Voorzeker, Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenvolken, zegt deHEERE van de legermachten.

[12] Maar u ontheiligt hem, wanneer u zegt: De tafel van de Heere, die is onrein, en wat zij oplevert, haar voedsel, is verachtelijk.

[13] Verder zegt u: Zie, wat een vermoeienis! Maar u zou het kunnen wegblazen, zegt deHEERE van de legermachten. U brengt wat geroofd, kreupel en ziek is. Als u dat graanoffer brengt, zou Ik dat uit uw hand aanvaarden? zegt deHEERE .

[14] Ja, vervloekt is de bedrieger die een mannetjesdier in zijn kudde heeft, en een gelofte doet, maar aan de Heere offert wat geschonden is! Voorzeker, Ik ben een groot Koning, zegt deHEERE van de legermachten, en Mijn Naam is ontzagwekkend onder de volken.

Maleachi — Chapters