Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:43

[1] Denk,HEERE , aan wat er met ons gebeurd is, aanschouw en zie onze smaad!

[2] Ons erfelijk bezit is vervallen aan vreemden, onze huizen aan buitenlanders.

[3] Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als weduwen.

[4] Ons water drinken wij voor geld; ons hout komt tot ons voor een prijs.

[5] Wij worden op onze nek gezeten; wij zijn doodmoe, maar rust gunt men ons niet!

[6] Egypte hebben wij de hand gegeven, en Assyrië, om met brood verzadigd te worden.

[7] Onze vaderen hebben gezondigd; zij zijn er niet meer, en wíj dragen hun ongerechtigheden.

[8] Knechten heersen over ons; er is niemand die ons aan hun hand ontrukt!

[9] Met levensgevaar moeten wij ons brood halen vanwege het zwaard van de woestijn.

[10] Onze huid gloeit als een oven vanwege het woeden van de honger!

[11] In Sion hebben zij vrouwen verkracht, in de steden van Juda jonge vrouwen.

[12] Vorsten zijn door hun hand opgehangen, de oudsten werd geen eer bewezen.

[13] Jongemannen torsen de molensteen, jongens struikelen onder de houtlast.

[14] De oudsten ontbreken bij de poort, jongemannen staken hun snarenspel.

[15] De vreugde van ons hart is opgehouden, onze reidans is in rouw veranderd.

[16] Gevallen is de kroon van ons hoofd! Wee toch ons, dat wij zo gezondigd hebben!

[17] Hierom is ons hart ziek, om deze dingen zijn onze ogen verduisterd:

[18] vanwege de berg Sion, die een woestenij is, waar vossen op lopen.

[19] U,HEERE , zetelt voor eeuwig! Uw troon is van generatie op generatie!

[20] Waarom zou U ons voor altijd vergeten, zou U ons zo lange tijd verlaten?

[21] HEERE , bekeer ons tot U, dan zullen wij bekeerd zijn! Vernieuw onze dagen als vanouds.

[22] Want zou U ons geheel en al verwerpen? Zou U zozeer op ons vertoornd zijn?

Klaagliederen — Chapters