Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:16

[1] Toen bad Jona tot deHEERE , zijn God, vanuit het binnenste van de vis.

[2] Hij zei: Ik riep uit mijn benauwdheid tot deHEERE en Hij antwoordde mij. Uit de schoot van het graf riep ik om hulp, U hoorde mijn stem.

[3] Want U wierp mij de diepte in, in het hart van de zeeën, een watervloed omringde mij; al Uw baren en Uw golven sloegen over mij heen.

[4] En ík zei: Verstoten ben ik van voor Uw ogen; toch zal ik opnieuw aanschouwen Uw heilige tempel.

[5] Water omving mij, bedreigde mijn leven, de watervloed omving mij. Zeewier was om mijn hoofd gebonden.

[6] Naar de diepste gronden van de bergen daalde ik af in de aarde; haar grendels sloten zich voor eeuwig achter mij. Maar uit het verderf trok U mijn leven omhoog, HEERE , mijn God!

[7] Toen mijn ziel in mij bezweek, dacht ik aan deHEERE ; mijn gebed kwam tot U, in Uw heilige tempel.

[8] Wie nietige afgoden vereren, verlaten Hem Die hun goedertieren is.

[9] Maar ik, met dankzegging zal ik U offers brengen; wat ik beloofd heb, zal ik nakomen. Het heil is van deHEERE !

[10] Toen sprak deHEERE tot de vis, en hij spuwde Jona uit op het droge.

Jonah — Chapters