Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 1:11

[1] Het woord dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot Baruch, de zoon van Neria, toen hij deze woorden uit de mond van Jeremia op een boekrol schreef, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda:

[2] Zo zegt deHEERE , de God van Israël, tegen u, Baruch:

[3] U zegt: Wee mij toch, want deHEERE heeft aan mijn leed nog meer verdriet toegevoegd. Ik ben moe van mijn zuchten. Ik vind geen rust.

[4] Dit moet u tegen hem zeggen: Zo zegt deHEERE : Zie, wat Ik gebouwd heb, ga Ik afbreken, en wat Ik geplant heb, ga Ik wegrukken, zelfs heel dit land.

[5] En zou ú voor uzelf grote dingen zoeken? Zoek ze niet, want zie, Ik ga onheil brengen over alle vlees, spreekt deHEERE . Maar u zal Ik uw leven ten buit geven in alle plaatsen waarheen u zult gaan.

Jeremia — Chapters