Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 5:30

[1] En een Engel van deHEERE ging van Gilgal naar Bochim en zei: Ik heb u uit Egypte geleid en u in het land gebracht dat Ik aan uw vaderen gezworen heb. En Ik heb gezegd: Ik zal Mijn verbond met u niet verbreken, voor eeuwig.

[2] En wat u betreft, u mag geen verbond sluiten met de inwoners van dit land. Hun altaren moet u afbreken. U bent Mijn stem echter niet gehoorzaam geweest. Waarom hebt u dit gedaan?

[3] Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen niet van voor uw ogen verdrijven, maar zij zullen u tot prikkels in uw zijden zijn, en hun goden zullen u tot een valstrik zijn.

[4] En toen de Engel van deHEERE deze woorden tot alle Israëlieten gesproken had, gebeurde het dat het volk luid begon te huilen.

[5] Daarom gaven zij die plaats de naam Bochim. En zij brachten daar offers aan deHEERE .

[6] Toen Jozua het volk had laten gaan, waren de Israëlieten weggegaan, ieder naar zijn erfelijk bezit, om het land in bezit te nemen.

[7] En het volk diende deHEERE al de dagen van Jozua en al de dagen van de oudsten die lang geleefd hadden na Jozua en die alle grote daden van deHEERE gezien hadden, die Hij voor Israël verricht had.

[8] Maar toen Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van deHEERE , gestorven was, honderdtien jaar oud,

[9] en zij hem begraven hadden in het gebied dat zijn erfelijk bezit was, in Timnath-Heres, op een berg van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäs,

[10] en ook heel die generatie met zijn vaderen verenigd was, stond er na hen een andere generatie op, die deHEERE niet kende, en evenmin de daden die Hij voor Israël verricht had.

[11] Toen deden de Israëlieten wat slecht was in de ogen van deHEERE en zij dienden de Baäls.

[12] Zij verlieten deHEERE , de God van hun vaderen, Die hen uit het land Egypte had geleid, en gingen achter andere goden aan, goden van de volken die rondom hen woonden. Zij bogen zich voor hen neer en verwekten deHEERE tot toorn.

[13] Want zij verlieten deHEERE en dienden de Baäl en de Astartes.

[14] Toen ontbrandde de toorn van deHEERE tegen Israël en Hij gaf hen over in de hand van plunderaars, die hen plunderden. Hij leverde hen over in de hand van hun vijanden van rondom, zodat zij niet meer konden standhouden tegen hun vijanden.

[15] Overal waarheen zij uittrokken, was de hand van deHEERE tegen hen, ten kwade, zoals deHEERE gesproken en zoals deHEERE hun gezworen had. Zij kwamen zeer in het nauw.

[16] En deHEERE deed richters opstaan, die hen verlosten uit de hand van hen die hen plunderden.

[17] Zij luisterden echter ook niet naar hun richters, maar gingen als in hoererij achter andere goden aan en bogen zich voor hen neer. Al snel waren zij afgeweken van de weg die hun vaderen gegaan waren, toen die luisterden naar de geboden van deHEERE . Zíj deden zo niet.

[18] En wanneer deHEERE voor hen richters liet opstaan, was deHEERE met de richter en verloste Hij hen uit de hand van hun vijanden, al de dagen van de richter, want het berouwde deHEERE vanwege hun gekerm over hen die hen onderdrukten en die hen in het nauw brachten.

[19] Maar bij het sterven van de richter gebeurde het dat zij zich weer afkeerden en nog verderfelijker handelden dan hun vaderen, door achter andere goden aan te gaan, die te dienen en zich daarvoor neer te buigen. Zij gaven geen van hun daden op en evenmin hun halsstarrige levenswandel.

[20] Daarom ontbrandde de toorn van deHEERE tegen Israël, en Hij zei: Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden, dat Ik hun vaderen geboden heb, en zij naar Mijn stem niet geluisterd hebben,

[21] zal Ik ook geen enkel van de heidenvolken meer voor hun ogen verdrijven die Jozua heeft overgelaten toen hij stierf,

[22] opdat Ik door hen Israël op de proef stel, om te zien of zij de weg van deHEERE in acht zullen nemen door daarin te gaan, zoals hun vaderen die in acht genomen hebben, of niet.

[23] Zo liet deHEERE deze heidenvolken blijven, door hen niet onmiddellijk te verdrijven en hen niet in de hand van Jozua over te geven.

Richtere — Chapters