[1] De last die de profeet Habakuk gezien heeft.
[2] HEERE , hoelang roep ik om hulp en luistert U niet, roep ik tot U: Geweld! en verlost U niet?
[3] Waarom doet U mij onrecht zien en aanschouwt U de moeite? Ja, verwoesting en geweld zijn tegenover mij, er ontstaat onenigheid, ruzie verheft zich.
[4] Daarom verliest de wet zijn kracht en komt het recht nooit meer tevoorschijn; want de goddeloze omsingelt de rechtvaardige, daarom komt het recht verdraaid tevoorschijn.
[5] Zie rond onder de heidenvolken en aanschouw, verbijster u, sta verbijsterd, want Ik breng in uw dagen een werk tot stand dat u niet zult geloven wanneer het verteld wordt.
[6] Want zie, Ik doe de Chaldeeën opstaan, dat grimmige en onstuimige volk, dat de breedten van de aarde doorkruist om woningen in bezit te nemen die niet van hem zijn.
[7] Schrikwekkend en ontzagwekkend is het. Zijn recht en zijn hoogheid gaan van hem uit.
[8] Zijn paarden zijn sneller dan luipaarden, feller dan avondwolven. Zijn ruiters komen eraan in galop, zijn ruiters komen van ver aangevlogen als een arend die toeschiet om te verslinden.
[9] Ieder van hen komt om geweld te bedrijven, hun gezichten oostwaarts gericht, en men verzamelt gevangenen als zand.
[10] Ja, zelf drijft hij de spot met de koningen, vorsten zijn hem een bespotting. Zelf lacht hij om elke vesting, hij hoopt er aarde tegen op en neemt hem in.
[11] Dan zal hij als de wind veranderen en verdertrekken. Zo maakt hij zich schuldig die van zijn kracht zijn god maakt.
[12] Bent U niet van oudsher deHEERE , mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven. HEERE , U hebt hem gesteld tot een oordeel. Rots, U hebt hem gegrondvest om te straffen.
[13] U bent te rein van ogen om het kwade aan te zien, moeite kunt U niet aanschouwen. Waarom aanschouwt U wie trouweloos handelen, zwijgt U, wanneer een goddeloze hem verslindt die rechtvaardiger is dan hijzelf?
[14] U maakt de mensen als vissen in de zee, als kruipende dieren, die geen heerser hebben.
[15] Hij haalt ze alle met een vishaak op, brengt ze bijeen met zijn sleepnet, en verzamelt ze met zijn werpnet. Daarom verblijdt en verheugt hij zich.
[16] Daarom offert hij aan zijn sleepnet, brengt hij een reukoffer aan zijn werpnet, want daardoor is zijn vangst groot en zijn voedsel overvloedig.
[17] Mag hij daarom zijn sleepnet blijven leegmaken, volken zonder medelijden blijven doden?