Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 5:30

[1] Ik zeg echter: Zolang de erfgenaam een onmondig kind is, verschilt hij in niets van een slaaf, hoewel hij heer is van alles;

[2] maar hij staat onder voogden en beheerders, tot het tijdstip dat de vader van tevoren heeft bepaald.

[3] Zo waren ook wij, toen wij nog onmondige kinderen waren, als slaven onderworpen aan de grondbeginselen van de wereld.

[4] Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet,

[5] om hen die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij de aanneming tot kinderen zouden ontvangen.

[6] Nu, omdat u kinderen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!

[7] Dus nu bent u geen slaaf meer, maar een zoon; en als u een zoon bent, dan bent u ook erfgenaam van God door Christus.

[8] Maar destijds, toen u God niet kende, diende u hen die van nature geen goden zijn;

[9] en nu u God kent, ja wat meer is, door God gekend bent, hoe kunt u weer terugkeren naar de zwakke en arme grondbeginselen, die u weer van voren af aan wilt dienen?

[10] U houdt zich aan dagen, maanden, tijden en jaren.

[11] Ik vrees voor u dat ik mij misschien tevergeefs voor u heb ingespannen.

[12] Wees zoals ik, want ook ik ben zoals u, broeders; ik smeek het u! U hebt mij in geen enkel opzicht onrecht aangedaan.

[13] U weet toch dat ik u de eerste keer het Evangelie heb verkondigd in lichamelijke zwakheid.

[14] En toch hebt u mijn beproeving, die in mijn lichaam plaatsvond, niet veracht of verafschuwd, maar ontving u mij als een engel van God, ja, als Christus Jezus.

[15] Waarin prees u zich dan gelukkig? Want ik kan van u getuigen dat u, zo mogelijk, uw ogen zou hebben uitgerukt en aan mij gegeven zou hebben.

[16] Ben ik dan uw vijand geworden door u de waarheid te zeggen?

[17] Zij beijveren zich niet met goede bedoelingen voor u, maar zij willen ons uitsluiten, opdat u zich voor hen zou beijveren.

[18] Nu is zich te beijveren voor het goede altijd goed, en niet alleen als ik bij u ben,

[19] mijn lieve kinderen, van wie ik opnieuw in barensnood ben totdat Christus gestalte in u krijgt.

[20] Ik wilde echter wel dat ik nu bij u was en op een andere toon kon spreken, want ik ben in twijfel over u.

[21] Zeg mij, u die onder de wet wilt zijn, luistert u niet naar de wet?

[22] Want er staat geschreven dat Abraham twee zonen had, een van de slavin, en een van de vrije.

[23] Maar hij die van de slavin was, is naar het vlees geboren, hij echter die van de vrije was, door de belofte.

[24] Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis; want deze vrouwen zijn de twee verbonden: het ene, dat van de berg Sinaï, dat kinderen voortbrengt voor de slavernij, dat is Hagar.

[25] Want deze Hagar is de berg Sinaï in Arabië, en komt overeen met het huidige Jeruzalem, dat met haar kinderen in slavernij is.

[26] Maar het Jeruzalem dat boven is, is vrij, en dat is de moeder van ons allen.

[27] Want er staat geschreven: Wees vrolijk, onvruchtbare, die niet baart, breek uit in gejuich en roep, u die geen barensnood kent, want de kinderen van de eenzame zijn veel talrijker dan die van haar die de man heeft.

[28] Wij nu, broeders, zijn kinderen van de belofte, net zoals Izak.

[29] Maar zoals destijds hij die naar het vlees geboren was, hem vervolgde die naar de Geest geboren was, zo is het ook nu.

[30] Wat zegt de Schrift echter? Jaag de slavin en haar zoon weg, want de zoon van de slavin zal beslist niet erven met de zoon van de vrije.

[31] Daarom, broeders, wij zijn geen kinderen van de slavin, maar van de vrije.

Galaten — Chapters