Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:53

[1] Een dode vlieg doet de zalf van de zalfbereider stinkend gisten. Zo doet ook een kleine dwaasheid met kostbare wijsheid en eer.

[2] Het hart van een wijze is tot zijn rechterhand, maar het hart van een dwaas is tot zijn linkerhand.

[3] Ook wanneer de dwaas op de weg loopt, ontbreekt zijn verstand: hij zegt tegen iedereen dat hij een dwaas is.

[4] Als de geest van de heerser zich tegen u keert, verlaat dan uw plaats niet, want het is een medicijn, het voorkomt grote zonden.

[5] Er is een kwaad dat ik gezien heb onder de zon, een soort dwaling die van de machthebber afkomstig is:

[6] de dwaas wordt op grote hoogten geplaatst, maar de rijken zitten in de laagte.

[7] Ik heb dienaren te paard gezien en vorsten die als dienaren te voet over de aarde gingen.

[8] Wie een kuil graaft, zal erin vallen. Wie een gat slaat in een muur, een slang zal hem bijten.

[9] Wie stenen lostrekt, zal daardoor bezeerd worden. Wie hout klooft, zal daardoor gevaar lopen.

[10] Als het ijzer bot wordt en iemand slijpt de snede niet, dan moet hij meer kracht zetten. Het voornaamste om te slagen is wijsheid.

[11] Als de slang vóór de bezwering bijt, heeft de meesterbezweerder geen nut.

[12] Woorden uit de mond van een wijze zijn aangenaam, maar de lippen van een dwaas verslinden hemzelf.

[13] Het begin van de woorden uit zijn mond is dwaasheid en het laatste uit zijn mond boosaardige zotternij.

[14] De dwaas gebruikt veel woorden, maar de mens weet niet wat er gebeuren zal. Wat er na hem zal gebeuren, wie zal het hem bekendmaken?

[15] Het zwoegen van de dwazen maakt hen moe, omdat zij niet weten hoe zij naar de stad moeten gaan.

[16] Wee u, land, als uw koning een kind is, als uw vorsten 's morgens maaltijd houden.

[17] Gelukkig bent u, land, als uw koning een zoon van edelen is en uw vorsten op de juiste tijd maaltijd houden, tot versterking en niet om zich te bedrinken.

[18] Door grote luiheid zakt het gebinte ineen. Door slapheid van handen gaat het huis lekken.

[19] Men richt maaltijden aan om te lachen, wijn verblijdt de levenden, en het geld verantwoordt alles.

[20] Vervloek zelfs in uw gedachten een koning niet en vervloek een rijke niet in uw slaapkamer, want de vogels in de lucht zouden het geluid mee kunnen voeren: wat vleugels bezit, zou het woord bekend kunnen maken.

Prediker — Chapters