[1] En als medearbeiders van God roepen wij u er ook toe op de genade van God niet tevergeefs ontvangen te hebben.
[2] Want Hij zegt: In de tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord, en op de dag van het heil heb Ik U geholpen. Zie, nu is het de tijd van het welbehagen, zie, nu is het de dag van het heil!
[3] Wij geven in geen enkel opzicht enige aanstoot, opdat de bediening niet gelasterd wordt.
[4] Maar in alles bewijzen wij onszelf als dienaars van God, in veel volharding: in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden,
[5] in slagen, in gevangenissen, in oproer, in ingespannen arbeid, in nachten zonder slaap, in vasten,
[6] in reinheid, in kennis, in geduld, in vriendelijkheid, in de Heilige Geest, in ongeveinsde liefde,
[7] in het woord van de waarheid, in de kracht van God, door de wapens van de gerechtigheid aan de rechter- en aan de linkerzijde;
[8] door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als misleiders en toch waarachtigen;
[9] als onbekenden en toch bekenden; als stervenden, en zie, wij leven; als bestraft en toch niet gedood;
[10] als bedroefden, maar toch steeds blij; als armen, maar die toch velen rijk maken; als mensen die niets hebben en toch alles bezitten.
[11] Onze mond heeft zich vrijmoedig voor u geopend, Korinthiërs, ons hart staat wijd open.
[12] U neemt geen kleine plaats in ons hart in, maar zelf bent u enghartig.
[13] Zet dan ook van uw kant – ik spreek als tot mijn kinderen – uw hart wijd open.
[14] Vorm geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeenschappelijk met wetteloosheid, en welke gemeenschap is er tussen licht en duisternis?
[15] En welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial? Of wat deelt een gelovige met een ongelovige?
[16] Of welk verband is er tussen de tempel van God en de afgoden? Want u bent de tempel van de levende God, zoals God gezegd heeft: Ik zal in hun midden wonen en onder hen wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn.
[17] Ga daarom uit hun midden weg en zonder u af, zegt de Heere, en raak het onreine niet aan, en Ik zal u aannemen,
[18] en Ik zal u tot een Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt de Heere, de Almachtige.