Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 7:52

[1] Josafat had rijkdom en eer in overvloed, en hij ging huwelijksbanden aan met Achab.

[2] Na verloop van enkele jaren ging hij naar Achab toe, in Samaria. Achab slachtte voor hem en voor het volk dat bij hem was een grote hoeveelheid schapen en runderen, en spoorde hem aan om op te trekken tegen Ramoth in Gilead.

[3] Achab, de koning van Israël, zei tegen Josafat, de koning van Juda: Wilt u met mij meegaan naar Ramoth in Gilead? En hij zei tegen hem: Ik ben als u, mijn volk is als uw volk: wij gaan met u mee in de strijd.

[4] Verder zei Josafat tegen de koning van Israël: Vraag toch vandaag nog naar het woord van deHEERE .

[5] Toen riep de koning van Israël de profeten bijeen, vierhonderd man, en zei tegen hen: Zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik ervan afzien? Zij zeiden: Trek op, want God zal hen in de hand van de koning geven.

[6] Maar Josafat zei: Is er hier niet nog een profeet van deHEERE , zodat wij deHEERE door hem kunnen raadplegen?

[7] Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Er is nog één man om door hem deHEERE te raadplegen, maar ík haat hem, want hij profeteert niets goeds over mij, maar altijd onheil. Dat is Micha, de zoon van Jimla. Josafat zei: Zo moet de koning niet spreken!

[8] Toen riep de koning van Israël een hoveling en zei: Haal snel Micha, de zoon van Jimla.

[9] Nu zaten de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, ieder op zijn troon, gekleed in staatsiegewaad. Zij zaten op de dorsvloer, bij de ingang van de poort van Samaria. En al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.

[10] Zedekia, de zoon van Kenaäna, had ijzeren hoorns voor zichzelf gemaakt, en zei: Zo zegt deHEERE : Hiermee zult u de Syriërs neerstoten, totdat u hen vernietigd hebt.

[11] En alle profeten profeteerden hetzelfde: Trek op naar Ramoth in Gilead en u zult slagen, want deHEERE zal hen in de hand van de koning geven.

[12] De bode nu die Micha was gaan roepen, sprak tot hem: Zie, de woorden van de profeten zijn eenstemmig in het voordeel van de koning. Laat toch uw woord als dat van een van hen zijn, en spreek het goede.

[13] Maar Micha zei: Zo waar deHEERE leeft, wat mijn God zegt, dat zal ik spreken.

[14] Toen hij bij de koning kwam, zei de koning tegen hem: Micha, zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik ervan afzien? En hij zei tegen hem: Trek op, en u zult slagen, want zij zullen in uw hand gegeven worden.

[15] De koning zei tegen hem: Hoeveel keer moet ik u nog bezweren dat u tot mij niets zult spreken dan alleen de waarheid, in de Naam van deHEERE ?

[16] Hij zei: Ik zag heel Israël overal verspreid op de bergen, als schapen die geen herder hebben. En deHEERE zei: Dezen hebben geen heer, laat ieder in vrede naar zijn huis terugkeren.

[17] Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Heb ik niet tegen u gezegd: Hij zal over mij niets goeds profeteren, alleen maar onheil?

[18] Verder zei Micha: Daarom, hoor het woord van deHEERE : Ik zag deHEERE op Zijn troon zitten, en heel het hemelse leger stond aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerzijde.

[19] En deHEERE zei: Wie zal Achab, de koning van Israël, misleiden, zodat hij zal optrekken en bij Ramoth in Gilead zal vallen in de strijd? Daarna zei Hij: De een zegt dit, en de ander zegt dat.

[20] Toen trad er een geest naar voren en ging voor het aangezicht van deHEERE staan. Hij zei: Ík zal hem misleiden. En deHEERE zei tegen hem: Waarmee?

[21] Hij zei: Ik zal eropuit gaan en tot een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U mag misleiden, en u zult er ook toe in staat zijn. Vertrek en doe het zo.

[22] Welnu, zie, deHEERE heeft een leugengeest in de mond van deze profeten van u gegeven, en deHEERE heeft onheil over u uitgesproken.

[23] Toen kwam Zedekia, de zoon van Kenaäna, naar voren. Hij sloeg Micha op zijn kaak, en zei: Langs welke weg is de Geest van deHEERE van mij weggegaan om tot u te spreken?

[24] En Micha zei: Zie, u zult het zien, op de dag waarop u van kamer naar kamer gaat om u te verbergen.

[25] Daarop zei de koning van Israël: Neem Micha mee en breng hem terug naar Amon, de leider van de stad, en naar Joas, de zoon van de koning.

[26] En u moet zeggen: Dit zegt de koning: Zet deze man in de gevangenis en laat hem brood van verdrukking eten en water van verdrukking drinken, totdat ik in vrede terugkom.

[27] Maar Micha zei: Als u echt in vrede terugkeert, heeft deHEERE niet door mij gesproken! Verder zei hij: Luister, volken, allemaal!

[28] Zo trok de koning van Israël met Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.

[29] De koning van Israël zei tegen Josafat: Zodra ik mij vermomd heb, trek ik ten strijde. Trekt u echter uw eigen kleren aan. Zo vermomde de koning van Israël zich en trokken zij ten strijde.

[30] Nu had de koning van Syrië de bevelhebbers van de strijdwagens die hij had, geboden: U mag niet tegen de kleinen of tegen de groten strijden, maar alleen tegen de koning van Israël.

[31] Het gebeurde dan, zodra de bevelhebbers van de strijdwagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Dat is de koning van Israël. Zij omringden hem om tegen hem te strijden, maar Josafat schreeuwde om hulp. DeHEERE hielp hem en God wendde hen van hem af.

[32] En het gebeurde, zodra de bevelhebbers van de strijdwagens zagen dat hij niet de koning van Israël was, dat zij zich van hem afkeerden.

[33] Toen spande een man in zijn onschuld de boog en trof de koning van Israël tussen de verbindingsstukken en het harnas. Toen zei deze tegen zijn wagenmenner: Wend de teugel en breng mij weg uit het leger, want ik ben gewond.

[34] De strijd laaide die dag echter hoog op. De koning van Israël moest zich in de wagen staande laten houden tegenover de Syriërs tot de avond, maar hij stierf tegen de tijd dat de zon onderging.

2 Kronieken — Chapters