Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 5:19

[1] Toen zei Samuel tegen heel Israël: Zie, ik heb naar uw stem geluisterd in alles wat u mij gezegd hebt, en ik heb een koning over u aangesteld.

[2] En nu, zie, de koning gaat u voor; ík ben oud en grijs geworden, en mijn zonen, zie, zij zijn onder u. Ik ben u van mijn jeugd af tot op deze dag voorgegaan.

[3] Zie, hier ben ik, leg getuigenis tegen mij af in de tegenwoordigheid van deHEERE en in de tegenwoordigheid van Zijn gezalfde: van wie heb ik een rund afgenomen, van wie heb ik een ezel afgenomen, wie heb ik onderdrukt, wie heb ik mishandeld, uit wiens hand heb ik zwijggeld aangenomen om mijn ogen voor hem te sluiten? Dan zal ik het u teruggeven.

[4] Toen zeiden zij: U hebt ons niet onderdrukt, u hebt ons niet mishandeld en u hebt uit niemands hand iets genomen.

[5] Toen zei hij tegen hen: DeHEERE is getuige tegen u, en Zijn gezalfde is op deze dag getuige, dat u bij mij niets gevonden hebt. En het volk zei: Hij is getuige.

[6] Verder zei Samuel tegen het volk: Het is deHEERE Die Mozes en Aäron voortgebracht heeft en Die uw vaderen uit Egypte heeft laten wegtrekken.

[7] Welnu, stel u hier op, dan zal ik als richter voor het aangezicht van deHEERE al de rechtvaardige daden van deHEERE bij u aan de orde stellen, die Hij bij u en bij uw vaderen verricht heeft.

[8] Nadat Jakob in Egypte gekomen was, riepen uw vaderen tot deHEERE . Toen zond deHEERE Mozes en Aäron. Zij leidden uw vaderen uit Egypte en lieten hen in deze plaats wonen.

[9] Maar zij vergaten deHEERE , hun God. Toen leverde Hij hen over in de hand van Sisera, de bevelhebber van het leger in Hazor, in de hand van de Filistijnen en in de hand van de koning van Moab, die tegen hen streden.

[10] Zij riepen tot deHEERE en zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij deHEERE verlaten en de Baäls en Astartes gediend hebben. Nu dan, red ons uit de hand van onze vijanden; dan zullen wij U dienen.

[11] Toen zond deHEERE Jerubbaäl, Bedan, Jefta en Samuel; en Hij redde u uit de hand van uw vijanden rondom u, zodat u veilig woonde.

[12] Toen u zag dat Nahas, de koning van de Ammonieten, op u afkwam, zei u tegen mij: Nee, maar een koning moet over ons regeren – terwijl toch deHEERE , uw God, uw Koning is.

[13] Welnu, zie hier de koning die u gekozen hebt, die u verlangd hebt. Zie, deHEERE heeft een koning over u aangesteld.

[14] Als u dan maar deHEERE vreest, Hem dient, naar Zijn stem luistert en het bevel van deHEERE niet ongehoorzaam bent! Dan zal zowel u als de koning die over u regeren zal, veilig zijn, achter deHEERE uw God.

[15] Maar wanneer u niet naar de stem van deHEERE luistert, en het bevel van deHEERE ongehoorzaam bent, dan zal de hand van deHEERE tegen u zijn, zoals tegen uw vaderen.

[16] Blijf dan nu staan, en zie het indrukwekkende dat deHEERE voor uw ogen zal doen.

[17] Is het vandaag niet de tijd van de tarweoogst? Ik zal tot deHEERE roepen, en Hij zal donder en regen geven. Besef dan en zie, dat uw kwaad, dat u voor de ogen van deHEERE gedaan hebt, groot is, omdat u een koning voor u verlangd hebt.

[18] Toen Samuel deHEERE aanriep, gaf deHEERE donder en regen op die dag. Daarom werd heel het volk zeer bevreesd voor deHEERE en voor Samuel.

[19] En heel het volk zei tegen Samuel: Bid voor uw dienaren tot deHEERE , uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij ook nog dit kwaad gedaan dat wij een koning voor ons verlangd hebben.

[20] Toen zei Samuel tegen het volk: Wees niet bevreesd, u hebt al dit kwaad wel gedaan, maar wijk niet langer van achter deHEERE af, en dien deHEERE met uw hele hart.

[21] Wijk niet af door de nietige afgoden na te volgen, die niet van nut zijn en niet kunnen redden, want zij zijn nietigheden.

[22] Want deHEERE zal Zijn volk niet verlaten, omwille van Zijn grote Naam, omdat het deHEERE behaagd heeft u voor Hem tot een volk te maken.

[23] En wat mij betreft, er is bij mij geen sprake van dat ik tegen deHEERE zou zondigen door op te houden voor u te bidden; maar ik zal u de goede en juiste weg leren.

[24] Vrees alleen deHEERE , en dien Hem trouw met uw hele hart, want zie welke grote dingen Hij bij u gedaan heeft.

[25] Maar indien u het kwade blijft doen, dan zult u weggevaagd worden, zowel u als uw koning.

1 Samuël — Chapters