Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:34

[1] Wat nu de inzameling voor de heiligen betreft, moet u het net zo doen als ik het aan de gemeenten in Galatië opgedragen heb:

[2] Op elke eerste dag van de week moet ieder van u bij zichzelf iets opzijleggen om op te sparen wat in zijn vermogen is, opdat de inzamelingen niet pas dan gehouden worden, wanneer ik gekomen ben.

[3] En wanneer ik bij u gekomen ben, zal ik hen die u daarvoor geschikt acht, met brieven sturen om uw gave naar Jeruzalem over te brengen.

[4] En als het de moeite waard mocht zijn dat ik de reis zelf ook maak, zullen zij met mij meereizen.

[5] Maar ik zal naar u toe komen, wanneer ik Macedonië doorgereisd ben, want ik ga door Macedonië,

[6] en zo mogelijk zal ik bij u blijven, of ook de winter doorbrengen, om mij door u op weg te laten helpen, waar ik ook maar naartoe reis.

[7] Want ik wil u nu niet slechts op doorreis zien, maar hoop enige tijd bij u te blijven, als de Heere het toestaat.

[8] Ik zal echter tot Pinksteren in Efeze blijven,

[9] want daar is voor mij een grote en krachtige deur geopend, en er zijn veel tegenstanders.

[10] Als Timotheüs komt, let er dan op dat hij zonder vrees bij u kan zijn, want hij doet het werk van de Heere, zoals ook ik.

[11] Laat dus niemand hem gering achten, maar help hem op weg in vrede, zodat hij naar mij toe kan komen, want ik en de broeders wachten op hem.

[12] En wat Apollos, de broeder, betreft, ik heb hem er vele malen toe opgeroepen dat hij met de broeders naar u toe zou komen, maar hij wilde nu beslist niet komen. Hij zal echter komen, wanneer het hem gelegen komt.

[13] Wees waakzaam, sta vast in het geloof, wees manmoedig, wees sterk.

[14] Laat alles bij u in liefde gebeuren.

[15] En ik roep u ertoe op, broeders – u weet dat het huis van Stefanas de eersteling van Achaje is en dat zij zichzelf ten dienste van de heiligen beschikbaar hebben gesteld –

[16] dat u zich ook aan zulke mensen onderwerpt, en aan ieder die meewerkt en zich inspant.

[17] En ik verblijd mij over de komst van Stefanas en Fortunatus en Achaïcus, want zij hebben aangevuld wat mij van uw kant nog ontbrak,

[18] want zij hebben mijn geest verkwikt en die van u. Erken zulke mensen dan.

[19] U groeten de gemeenten van Asia. In de Heere groeten u hartelijk Aquila en Priscilla met de gemeente in hun huis.

[20] U groeten alle broeders. Groet elkaar met een heilige kus.

[21] Een eigenhandige groet van mij, Paulus.

[22] Als iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, laat die vervloekt zijn. Maranatha!

[23] De genade van de Heere Jezus Christus zij met u.

[24] Mijn liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen.

1 Korintiërs — Chapters